Egotoestand = consistent patroon van voelen en ervaren dat direct samengaat met een overeenkomstig consistent patroon van gedragingen; samenstel van gedrag, gedachten en gevoel.
Structurele analyse
Structurele analyse: gaat over de inhoud van de egotoestanden; het wat; hoe iemand op dat moment zich van binnen voelt, hoe zijn persoonlijkheid is opgebouwd.
Functionele analyse: gaat over proces; het hoe; over hoe egotoestanden in het gedrag (met anderen) tot uiting komen; gedragsbeschrijvingen.
Drie structurele egotoestanden:
1. Ouder: gedrag, gedachten en gevoelens overgenomen van ouders en ouderfiguren
2. Volwassene: gedrag, gedachten en gevoelens die een directe respons zijn op het hier-en-nu
3. Kind: gedrag, gedachten en gevoelens zoals geleerd in de kinderjaren en als volwassene herhaald.
Functionele egotoestanden
Functionele kind-egotoestanden:
1. Aangepast kind: gedragingen waartoe ik in mijn kinderjaren besloot om aan de verwachtingen van mijn ouders te voldoen, of ertegen te rebelleren (tegen regels en beperkingen van ouders).
2. Vrij kind: gedragingen geleerd in kindertijd los van ouderlijke druk, regels en beperkingen. Vrij gedrag, ik deed wat ik zelf wilde zonder voldoen aan verwachtingen of rebellie.
Deze kunnen positief (ok) of negatief (niet-ok) zijn:
1. Positief aangepast kind: alle nuttige, functionele regels om te leven en geaccepteerd te worden. Tafelmanieren, verkeersregels, beleefdheid,... leidt tot productieve interactie met anderen.
3. Negatief aangepast kind: geleerde gedragingen als kind die niet meer passen bij volwassen situatie. Pruilen, terugtrekken,... hoofddoek TA is vervangen van achterhaalde patronen door nieuwe die gebruik maken van volwassen mogelijkheden.
4. Positief vrij kind: emoties van verdriet, angst en verlangen in een veilige omgeving tot uiting brengen.
5. Negatief vrij kind: niet uiten van emoties (aan ouders), opkroppen; daardoor fysiek gespannen, depressief, risk seeking, extreem gedrag.
Functionele ouder-egotoestanden:
1. Kritische ouder: gedrag geleerd van ouders waarbij controleerden en bekritiseerden. ‘Doe dit’, ‘doe dat niet’, etc
2. Voedende ouder: nadoen gedrag van ouders wanneer zij lief, troostend en verzorgend waren.
Deze kunnen positief (ok) of negatief (niet-ok) zijn:
1. Positieve kritische ouder: als aanwijzingen van de ouder bedoeld zijn voor bescherming en welzijn. ‘Stop met roken, dat is slecht voor je gezondheid.’
2. Negatieve kritische ouder: gedrag waarbij de ander gedenigreerd en miskend wordt. ‘Je hebt het wéér verkeerd gedaan!’
3. Positieve voedende ouder. Zorgen voor de ander uit daadwerkelijk respect voor de geholpen persoon.
4. Negatieve voedende ouder: er wordt geholpen vanuit een overheersende positie die de ander miskent. ‘Geef maar hier, ik doe het wel...’, de verstikkende moeder.
Contaminatie: deel van de inhoud van ouder of kind voor volwassene aanzien. Uit zich vaak in aangeleerde overtuigingen, vooroordelen. ‘Mensen zijn niet te vertrouwen’, ‘boeren zijn dom’
Uitsluiting: buiten werking stellen een of meer egotoestanden:
- Ouder uitsluiten: handelen zonder regels, zonder scrupules. Sjacheraars, politici, zakenmensen, maffia
- Volwassene uitsluiten: alleen maar inwendige ouder-kind-dialoog, geen volwassen onderzoek van de werkelijkheid. Risico op bizar gedrag, psychotisch.
- Kind uitsluiten: de persoon schakelt jeugdherinneringen uit. Komen vaak over als koude kikker, één en al hoofd.
- Twee van de drie egotoestanden uitsluiten, dan nog maar één actief, de constante egotoestand. Constante ouder kan niet meedoen, is plannenmaker, informatieverzamelaar. Constant kind is alleen maar emotie, hysterisch, onvolwassen.
Transacties
Transactie: basiseenheid van sociale omgang; combi van prikkel en respons:
- Complementair: respons komt uit de egotoestand die door de prikkel wordt aangesproken.
- Kruislings: respons komt uit andere egotoestand dan die wordt aangesproken door de prikkel.
- Met bijbedoelingen: twee boodschappen tegelijk; één is openlijk op het sociale niveau, de ander is verborgen op het psychologisch niveau. Soc niv is meestal inhoud (volw-volw), psych niv meestal ouder-kind, kind-ouder of volw-kind.
- Incongruentie: verbale en non-verbale aanwijzingen niet in overeenstemming.
Regels van communicatie:
1. Zolang transacties complementair blijven, kan de communicatie eindeloos doorgaan.
2. Als een transactie gekruist wordt, is een breuk in de communicatie het gevolg, en een of beide personen zullen hun aanvankelijke ego-toestanden moeten verlaten om de communicatie te herstellen.
3. Een prikkel kan nooit een egotoestand afdwingen, alleen uitnodigen om te reageren vanuit een egotoestand.
4. Het gedrag dat het resultaat is van een transactie met bijbedoelingen wordt bepaald op het psychologische en niet op het sociale niveau.
5. Om een transactie te analyseren moet je naar zowel verbale als non-verbale aanwijzingen kijken.
Opties: nieuwe manieren van transacties kiezen om los te komen van vastzittende uitwisselingen met anderen (bewust kruising aangaan met positieve egotoestand):
- Overgaan naar spelen vanuit ‘vrij kind’ ipv verontschuldigen vanuit ‘aangepast kind’. Oplossen met een grapje.
- Kruising vanuit ‘volwassene’. Feitelijk uitzoeken.
Strooks
Strooks: eenheid van erkenning. We hebben strooks nodig, voelen oms tekortgedaan als we die niet krijgen.
Honger naar prikkels: behoefte aan fysieke en geestelijke prikkels. Bijv honger naar erkenning: behoefte aan bevestiging door anderen.
Strookhuishouding:
- Geven
- Accepteren
- Vragen
- Weigeren
Te onderscheiden naar positieve (voelt prettig aan) en negatieve (voelt pijnlijk aan) strooks.
Tijdstructurering
Tijdstructurering: manieren waarop mensen in groepen en paren tijd kunnen doorbrengen; bevrediging honger naar structuur:
1. Zich terugtrekken. Fysiek, of psychologisch. Vermijden van afwijzing door anderen.
2. Rituelen. Bekende vorm van sociaal verkeer uitvoeren. Bekende positieve strooks.
3. Tijdverdrijf. Praten over iets, maar geen actie ondernemen. Streeft positieve strooks na.
4. Activiteiten. Communicatie gericht op een doel bereiken.
5. (Psychologische) spelen. Serie transacties met bijbedoelingen uitwisselen. Meestal vindt er een omkering van rollen plaats; meestal naar gevoel na afloop. Komt door uitwisseling van miskenningen op psychol niveau. Per definitie vanuit negatieve egotoestanden.
6. Intimiteit. Echte behoeften en gevoelens laten zien zonder censuur. Geen verborgen boodschappen. Paradox: voelt als meest risicovolle interactie, is in werkelijkheid minst riskante vorm want comm zonder miskenning; constructief. Prettig is afh van positieve of negatieve strooks.
Hoe lager op de lijst (meer richting intimiteit), hoe hoger psychologisch risico, hoe hoger onvoorspelbaarheid van de strooks.
Levensscripts
Levensscript: een levensplan, opgesteld in de kinderjaren, bekrachtigd door de ouders, gerechtvaardigd door latere ervaringen, en resulterend in een daartoe besloten uitkomst.
Script is wat iemand in vroege kinderjaren van plan was te doen, levensloop is wat werkelijk gebeurt. Levensloop resultaat van:
- Erfelijkheid
- Externe gebeurtenissen
- Script
- Autonome besluiten (vrij van script, door Volwassene)
Scripttheorie verklaring voor waarom mensen eindeloos pijnlijke uitwisselingen blijven herhalen, ondanks onaangenaam.
Drie soorten inhoudelijke levensscripts:
1. Winnend. Als iemand zijn eigen gestelde doel bereikt.
2. Verliezend. Iemand bereikt niet zijn gestelde doel. Gaat om het doel én om de voldoening die ermee gepaard gaat. Bijv miljonair worden en ongelukkig door stress, dan toch verliezer. Verliezen in gradaties: verliezen die nog sociaal acceptabel zijn, verliezen die dat niet is tot en met ernstige verwondingen, ziekte, dood, gerechtelijk drama.
3. Niet-winnend. Sukkelt door de dagen zonder groot verlies of winst; neemt geen risico’s; banaal script.
Ieder script kan veranderd worden.
Kans op leven volgens script uit kindertijd groot bij leven onder stress.
Overdracht: iemand onbewust identificeren met iemand uit het verleden.
Scriptsignalen: lichamelijke tekenen van ‘in script gaan’; lichaamsscript.
Levensposities
Levenspositie: iemands basale overtuiging omtrent zichzelf en anderen, die gebruikt worden om besluiten en gedrag te rechtvaardigen:
1. Ik ben ok, jij bent ok. Meeste kans op winnend script. ‘Er tegenaan gaan’
2. Ik ben niet-ok, jij bent ok. Kans op banaal of verliezend script, slachtoffergedrag. ‘Depressief’
3. Ik ben ok, jij bent niet-ok. Kans op winnaarsscript maar wel als een bazig type waardoor hij afgewezen kan worden door omgeving. ‘Paranoïde’
4. Ik ben niet-ok, jij bent niet-ok. Grootste kans op verliezend script; wanhoop, gevoel onbemind, afwijzing en afgewezen worden. ‘Futiliteit’
12 veel voorkomende negatieve onderdelen van levensscripts: besta niet, wees niet belangrijk, wees niet jezelf, hoor er niet bij, wees geen kind, kom niet dichterbij, groei niet op, wees niet gezond, slaag niet, denk niet, doe niets, voel niet.
Scriptproces
Scriptproces: de manier waarop wij ons levensscript in de loop van de tijd in de werkelijkheid vorm geven.
6 patronen:
1. Voordat. Iets aangenaams kan niet gebeuren voordat iets negatiefs achter de rug is.
2. Nadat. Iets negatiefs gebeurt nadat iets positiefs is gebeurd: na het feest komt de kater.
3. Nooit. ‘Ik kan nooit krijgen wat ik wil.’
4. Altijd. ‘Waarom moet mij dat altijd overkomen?’
5. Bijna. ‘Dit keer is het me bijna gelukt’. Type 1: het lukt daadwerkelijk niet; type 2: het lukt wel, maar de persoon merkt het nauwelijks of besteedt geen aandacht aan.
6. Open eind. ‘Op een zeker moment in de toekomst zal ik geen raad weten met mezelf.’
Veel voorkomende combinaties:
- Voordat-nooit: ik zal nooit gelukkig worden.
- Nadat-bijna
- Altijd-nooit
Drivers
Driver: groepen van gedragingen die mensen vertonen vlak voordat zij in een scriptmatig gedrag of gevoel terechtkomen.
Een driver kan worden herkend aan geheel van woorden, intonaties, gebaren, lichaamshoudingen en gelaatsuitdrukkingen:
1. Wees perfect. Veel tussenzinnen, punten aftellen, klinkt Volwassen, punten op de vingers aftellen, kin vastpakken, rechtop in balans, ogen naar boven en naar opzij, mondhoeken gespannen naar beneden.
2. Doe de ander een plezier. Zinnen van positief naar negatief (‘maar’), hoge stem, knikken met hoofd, uitgestoken handen, schouders hoog en naar voren gebogen, gezicht iets naar beneden, mond in gespannen glimlach.
3. Doe je best. Gebruikt vaak woord ‘proberen’, moeilijk, vragen, keelspieren aanspannen, hand naast oog of oor, vuisten gebald, zit voorovergebogen, maakt zich klein, knijpt wenkbrauwen samen tot verticale rimpels.
4. Wees sterk. Legt oorzaak buiten zichzelf, men/je/het, onpersoonlijk formuleren, vlakke toon, geen gebaren, gesloten lichaamshouding, gelaat uitdrukkingsloos.
5. Schiet op. Spreekt snel en in staccato, tikken met vingers of voeten, draaien in de stoel, op horloge kijken, fysieke indruk van agitatie, vaak en snel veranderen van blikrichting.
Relatie drivers met scriptproces:
- Wees perfect - voordat
- Doe een plezier - nadat
- Weest sterk - nooit
- Doe je best - altijd
- Doe plezier + doe je best - bijna type 1
- Doe plezier + wees perfect - bijna type 2 of open eind
Drivergedrag is miniatuurversie van scriptproces. Bijv
- Wees perfect: interne Ouder die zegt: je bent alleen OK als je alles precies goed doet. Je luistert in Aangepast kind en bent niet tevreden voordat alles perfect is.
- Wees sterk: je bent alleen OK als je je gevoelens en behoeften voor anderen verbergt. Aangepast kind gehoorzaamt door af te sluiten voor externe prikkels. Uitweg: gevoelens tonen, kwetsbaar zijn, om strooks vragen.
Allower: tegengif tegen drivers:
- wees perfect: je bent goed genoeg zoals je bent
- Doe de ander een plezier: doe jezelf een plezier
- Wees sterk: wees open en uit je behoeften
- Doe je best: doe het maar
- Schiet op: doe het in je eigen tempo
Miskenning
Miskenning: onbewust negeren van informatie die relevant is voor oplossing van het probleem.
Miskenning leidt dus tot onopgeloste problemen.
Vier passieve gedragingen die wijzen op miskenning:
1. Niets doen. Vanuit gevoel van onbehagen en niet-denken.
2. Overaanpassing. Handelt volgens wat hij denkt dat de ander van hem wil.
3. Agitatie. Doelloze activiteit herhalen om onbehagen kwijt te raken. Nagelbijten, roken, dwangmatig eten.
4. Onmacht of geweld. Persoon maakt zich onbekwaam om de ander het probleem te laten oplossen. Ook depressie en verslaving.
Gebieden van miskenning: zichzelf, de ander, de situatie.
Typen miskenning: prikkels, problemen, opties.
Niveaus van miskenning: bestaan van opties, betekenis van opties, veranderbaarheid van de situatie, eigen capaciteiten (incl durf).
Symbiose
Symbiose: twee of meer personen gedragen zich alsof zij samen één enkel persoon zijn.
Kenmerkend:
- Eén persoon sluit Kind uit en is alleen in Ouder en Volwassene
- Andere persoon sluit Ouder en Volwassene uit en is alleen in Kind.
- Samen slechts drie egotoestanden ter beschikking.
Symbiose voelt prettig voor degenen in kwestie. Prijs is dat deze mensen een groot deel van hun volwassen hulpbronnen afsluiten. Op termijn ontwikkelen zij rancune omdat zij miskend worden, met afstand tot gevolg. Als één zich terugtrekt zal de ander zich verzetten.
Een symbiose is ongezond als zij een vorm van miskenning in zich draagt.
Rackets
Racket: aantal scriptmatige gedragingen, onbewust gebruikt als een middel om de omgeving te manipuleren, en resulterend in een racketgevoel van de persoon in kwestie.
Racketgevoel: een ons bekende emotie die in kinderjaren aangeleerd en aangemoedigd werd, die ervaren wordt in veel verschillende stressvolle situaties, maar die ongeschikt is om op een volwassen manier problemen op te lossen.
Racket is onbewust aansturen op een racketgevoel, en dat daadwerkelijk ervaren.
Kenmerken van een racketgevoel:
- Verschillende mensen hebben verschillende gevoelens bij dezelfde situatie.
- Stress levert meestal hetzelfde gevoel op bij een persoon, ongeacht de situatie.
- Het bij stress ervaren gevoel werd in het vroegere gezin voorgeleefd, en andere gevoelens ontmoedigd.
- De ervaren emotie droeg niet bij tot de oplossing van het probleem.
Waarom rackets? Omdat racketgevoel je als kind de gewenste strooks opleverde. Dat herhaal je als volwassene, ook al is het dan niet meer functioneel. Racketgevoel is een substituutgevoel voor een ander gevoel dat in onze jeugd verboden was. Afgedekte gevoel heet ‘authentiek gevoel’, racket heet ‘substituut’ of ‘niet-authentiek’.
Authentieke gevoelens binnen TA:
1. Boos. Gericht op het heden.
2. Bedroefd. Gericht op het verleden.
3. Bang. Gericht op de toekomst.
4. Blij. Tijdloos.
Als je gevoel niet overeenstemt met de gebeurtenis in de tijd, dan is het een racketgevoel. Bijv boos over het verleden.
Verschil authentiek-racket: uitdrukken van authentieke gevoelens is een adequaat middel om problemen in hier-en-nu op te lissen, terwijl uitdrukken van racketgevoelens dat niet is.
Standaardtypen racketgebruik:
1. Hulpeloos
2. Krengig
3. Behulpzaam
4. Bazig
Spelen
Kenmerken van spelen:
1. Spelen herhalen zich.
2. Spelen worden buiten het Volwassen bewustzijn om gespeeld.
3. Aan het einde van een spel ervaren de spelers altijd racketgevoelens.
4. Spelen omvatten altijd transacties met bijbedoelingen.
5. Spelen dragen altijd een moment van verrassing of verwarring in zich.
Dramadriehoek: model voor analyseren van spelen. Drie rollen:
1. Aanklager. Iemand die kleineert. Miskent waarde en waardigheid van anderen.
2. Redder. Biedt hulp aan vanuit superiore positie. Miskent andermans mogelijkheden om zelf te denken.
3. Slachtoffer. Voelt zichzelf minderwaardig en niet-OK. Miskent zichzelf.
De drie rollen zijn niet-authentiek, scriptmatig.
Spelstructuren:
1. Verschuiving van aanklager naar slachtoffer. Net zo lang jennen totdat je zelf klappen krijgt.
2. Verschuiving van slachtoffer naar aanklager. Eerst verleiden en zodra de ander toehapt klappen uitdelen.
3. Verschuiving van redder naar slachtoffer. Eerst hulp aanbieden, daarna afgewezen voelen als de ander de hulp niet aanneemt.
4. Verschuiving van redder naar aanklager. Eerst hulp aanbieden, en als de ander iets anders gaat doen boos worden.
Opties gebruiken om uit een spel te stappen (altijd vanuit positieve egotoestand):
- Als je zelf een spel speelt: stap van negatieve naar positieve egotoestand.
- Als de ander een spel speelt: reageer dwars op de beoogde reactie.
- Laat je nooit verleiden tot dramadriehoek.
- Je kunt niemand dwingen om op te houden met spelen. Met opties kun je eruit stappen.
- Op het moment van de omslag in het spel kiezen voor intimiteit: ‘Ik realiseer me dat ik jou de hele tijd... nu ben ik bang dat jij... terwijl ik juist behoefte heb aan... ‘. Is uitnodiging met authentieke gevoelens om uit spel te stappen.
Verandering
Begin relatie tussen therapeut en hulpzoeker behandelcontract opstellen:
- Wederzijdse overeenstemming. Verborgen agenda’s expliciet maken. Doel van de verandering expliciet maken. In positieve bewoordingen.
- Redelijke vergoeding
- Competentie (wederzijds)
- Legaal en ethisch
Omschrijving doelen in contract:
- Positief formuleren. Geen niet- of stop-formuleringen, dat bevestigt rackets.
- Haalbaar doel
- Specifiek en toetsbaar doel. Geen algemeen doel, of vergelijking met anderen.
- Veilig doel
- Opgesteld vanuit Volwassene in samenwerking met Vrij Kind. Niet vanuit Aangepast kind, dat bevestigt scriptgedrag.
- Eenvoudig taalgebruik.
- Moet wat kosten in geld, tijd, inspanning etc
- Afspraak tot actie.
Autonomie
Hoogste doel van verandering: autonomie. Dit komt tot uiting door vrij komen of herstel van:
- bewustheid: mindfull, meditatief
- spontaniteit: vrij reageren op de wereld vanuit de egotoestanden
- intimiteit: openlijk uitwisselen van gevoelens en behoeften tussen u en de ander, authentiek. Sluit rackets en spel uit. Veelal vanuit Vrij Kind; daarvoor veilige omgeving nodig met contract vanuit Volwassene en bescherming door Ouder.
In autonomie kan iemand vrij kiezen tussen Volwassene, Ouder of Kind; in script gebeurt dat onbewust.