Het gebeurt vaker dat een boek ten doop gehouden wordt terwijl er al enkele lezersreacties zijn binnengestroomd. Voor Strovuur regelde Van der Werf zelf een aantal proeflezers uit wellicht de meest kritische lezersgroep die er bestaat: leerlingen. Pubers. Adolescenten die misschien wel heel andere zaken aan hun hoofd hebben dan het lezen van een boek, ik laat in het midden welke. In elk geval een groep die over het algemeen een zeer heldere interne antenne heeft voor Zaken Die Ze Verafschuwen. Best spannend, dus. Zouden ze het wat vinden? Nina uit V6 oordeelt: ‘Een vlot lezend, onvoorspelbaar verhaal.’
‘Heel herkenbaar,’ vindt Giuliano. ‘Ook voor 17-jarigen.’
‘Een grof en meeslepend verhaal,’ vult iemand aan en Mary uit V6 concludeert: ‘Een bizar boek, met WTF momentjes.’
(Ik wil dit graag als blurb op het achterplat, dus als iedereen het boek koopt, kan dat met een tweede druk geregeld worden.)
“In feite is deze roman mijn persoonlijke leesbevorderingsproject voor mijn dochter,” zeg Van der Werf zelf in een interview in Trouw. In tijden van ontlezing en vervreemding is hij gelukkig niet te beroerd deze campagne breder te trekken dan zijn eigen dochter, die het einde van de roman ‘echt chill’ vond. Het is ook niet voor niets dat Van der Werf, die naast schrijver en vader en ook bevlogen muziekdocent is, zijn eerste reacties juist zocht bij deze veelzijdige en interessante groep jonge denkers. De twee hoofdpersonen uit Strovuur, de zeventienjarige Fay en haar twintigjarige neef Elvin, behoren precies tot die groep. Is het daarmee een roman die uitsluitend geschikt is voor lezers op de middelbare school? Allerminst.
We moeten het over kaakslagen hebben. Of eigenlijk: over de eerste kaakslag. En degenen onder ons die het boek al hebben gelezen denken nu misschien aan een zekere scène bij een benzinestationnetje, een dreun die Fay aan Elvin verkoopt in de auto of een zeker ongeluk met een fiets – maar niets van dat alles. Ik bedoel de allereerste kaakslag.
Onder ons op het prachtige Goodreads, mag ik toch hopen, bevinden zich echte lezers. Dwanglezers. Plezierlezers. Serieuze lezers. Iphonelezers. Lezers zijn net mensen, je hebt ze in alle soorten en maten. Maar die mensen dus bij wie het koude zweet uitbreekt als ze het pand verlaten zonder boek, die boeken verslinden als sigaretten, je kent het wel. En als die lezers nu heel even een seconde nemen om hun innerlijke boekenkast af te gaan, dan stuiten ze misschien op hun allereerste kaakslag. Daarmee bedoel ik de eerste keer, of de hefstigste keer, dat je een boek las waarvan je dacht: verdomd, dit is wáár, dit is echt, hier haak ik op aan, ik herken dit personage, deze mens, deze stem, deze gevoelens, deze zoektocht. Dit boek is geschreven voor mij – een beetje zoals we als tiener in tijden van liefdesverdriet allemaal wel eens hebben gedacht: verdomd, dit liedje is geschreven voor mij. Wat heerlijk dat het bestaat. Wat heerlijk dat iemand mij zo goed heeft gelezen. Wat een troost zit daarin, en ik wist niet eens dat ik kwaad of verdrietig was. Nu ik dit boek heb dichtgeslagen ben ik een ander mens. Misschien ben ik wel, al zeg ik het nog niet hardop, een lezer geworden. Was het Catcher in the Rye? Was het Red ons, Maria Montanelli? De aanslag? Iets recenters? Zit er een personage in je hoofd waarvan je denkt: dat is een vriend? Holden, Pippi, Alice, Katedreuffe? Of je nu wel of geen naam in gedachten hebt, we zijn het er waarschijnlijk allemaal over eens dat het een ongelooflijke prestatie is als een schrijver het voor elkaar krijgt lezers aan zijn of haar personages te laten hechten alsof ze het papier achter zich hebben gelaten en zijn gaan leven. Vertrokken. Bijvoorbeeld naar Parijs. Als schrijver moet je je lezer dan wel heel serieus nemen, een beetje zoals een goede docent zijn leerlingen heel serieus neemt.
Misschien hebben de lezers die ik net aansprak, die wellicht hun interne boekenkast nog aan het aaien zijn, nog ruimte over voor nieuw bloed – bijvoorbeeld voor een meisje met tattoo op haar schouder en een gaatje in haar hart; een meisje met een altviool en haar trouwe neef.
Want als er één boek in staat is om een kaakslag toe te dienen, dan is het Strovuur, dan zijn het Fay en Elvin met hun ontwapende discussies en hilarische ontwikkelingen. Als je in Fay niet je vroegere zelf ziet, de beste vriendin die je nooit hebt gehad of het onverschrokken meisje dat je wel had willen zijn, dan zie je nu in haar wellicht een zoekende dochter of gewoon een stoere en grappige meid met haar altviool, haar ideeën en haar pijn, tegen wie je wilt zeggen: jij komt er wel, Faytje. En als Elvin weer eens uitroept, in al zijn frustratie, FUCK DAT, roep dan lekker met hem mee. FUCK DAT, je hebt groot gelijk.
‘Een onbeschrijflijk mooi boek!’ zegt weer een leerling. ‘Een boek dat alleen te begrijpen valt als je zelf met Fay op reis gaat.’ En zo is het. Gun jezelf met het lezen van Strovuur die kaakslag.