Wat een intens verslag van een verschrikkelijke oorlog. Nuhanovic beschrijft vooral de periode van het uitbreken van de oorlog in oost Bosnie in het voorjaar van 1992, en het daarop volgende jaar. Beschietingen, barre voettochten, de dagelijkse zoektocht naar eten, de hardheid van de vluchtelingen die alleen maar willen overleven, de uitzichtloosheid. En dit hele riedeltje opnieuw. Pagina na pagina. Tien kilo meel, hier kunnen we x dagen van eten, die ging dood, zoveel nieuwe vluchtelingen, met welke wapens werden we beschoten, welke wapens hadden onze mensen zelf, een pond vlees en x kilo maismeel, zoveel dagen eten, meisje uit elkaar gereten door granaat, het laatste restje bedorven maïsmeel.
Wat het verslag - een terugblik maar met de dagelijkse nauwkeurigheid van een dagboek haast - nog ‘echter’ maakt zijn de gedachten en bekentenissen van Nuhanovic (dan begin twintig) over zijn eigen behoefte risico te vermijden. Hij is geen held, hij is geen strijder. Hij is bang, hij wil vluchten, zichzelf beschermen, zijn broertje, zijn ouders als het lukt. Meer kan je als mens niet aan in omstandigheden als deze. Als hij eten voor zichzelf claimt maar een ander ermee vandoor gaat is hij vol wanhoop en zelfmedelijden. Die ander is een figurant. Geen mens van vlees en bloed die óók wil overleven.
Waar Grapes of Wrath - en vooral het einde - hoop geeft omdat ook als mensen niets meer hebben, ze elkaar nog altijd kunnen helpen, stemt het verhaal van Nuhanovic bitter. Het is noodgedwongen ieder voor zich. Voor de ander is simpelweg geen plek meer. De kleine zinnetjes tussendoor, een kopje melk, een gedeelde maaltijd, de dapperheid van een strijder die zijn leven waagt om de stad te beschermen, het zijn vooral bewonderenswaardige ánderen die de uitzonderingen vormen op de regel.