Met veel plezier las ik de voorbeeldig uitgegeven en vertaalde - en helder geannoteerde- verhalenbundel "Autobiografie van een lijk" van de Rus Sigizmoend Krzjizjanovski (1887-1950). Deze schrijver wordt wel vergeleken met Kafka en Poe, omdat zijn verhalen zo fantastisch zijn in alle betekenissen des woords en zo ongrijpbaar- ongerijmd, en met Borges omdat er in die fantastische verhalen zo mooi gespeeld wordt met filosofische denkbeelden. Zelf had ik ook associaties met Gogol, en met Krzjizjanovski's tijdgenoten Charms, Platonov, Oljesja, Babel, Boelgakov en Pilnjak: absurdistische schrijvers, die met volslagen bizar proza reageerden op de al even bizarre Russische realiteit van de jaren '20 en '30 van de vorige eeuw. Ik hou van al die schrijvers, dus was ik blij om een met hen verwante schrijver tegen te komen. Bovendien vond ik die verhalen van Krzjizjanovski echt heel fraai. Dat hij tijdens zijn leven volkomen onbekend was snap ik wel: zijn volkomen ongeremde en bizarre fantasie was binnen het socialistisch realisme van zijn tijd natuurlijk ontoelaatbaar. Maar waarom is hij niet alsnog wereldberoemd geworden, al was het maar postuum? Geen idee, maar wat maakt het ook uit: dankzij deze bundel heb ik tot mijn vreugde Krzjizjanovski alsnog ontdekt, terwijl Uitgeverij Vleugels recentelijk ook een ander boek van hem uitgegeven heeft, "De letterdodersclub", en er blijken eerder ook nog twee korte romans van hem te zijn vertaald. Feest!
Krzjizjanovski lezen betekent jezelf overgeven aan andere werelden waarin onze wetten niet tellen, en aan het ongerijmde in onze eigen wereld. Wat soms beklemmend is, maar vaak juist inspirerend en geestverruimend, en soms zelfs ronduit hilarisch. De titel van het titelverhaal, "Autobiografie van een lijk", is bijvoorbeeld meteen al een heerlijke paradox: intrigerend genoeg gaat het verhaal bovendien inderdaad grotendeels over reflecties van een levende dode, die "duidelijk [kon] horen hoe met een fijn, scherp geluidje, druppel voor druppel, mijn ziel de leegte binnenlekte". Iets wat hij benoemt als "psychorree" of "zielloop", dus als een naar de ziel verplaatste vorm van diarree of buikloop. Dat is vrij komisch en vrij macaber tegelijk, en dat macabere wordt nog versterkt met diverse surrealistische verwijzingen naar een mistig soort oorlog, en door de steeds vreemder en poreuzer wordende grens tussen de levenden hier en de (oorlogs)doden daar. Of door passages waarin de ik- figuur -dus het lijk- opmerkt wel diverse identiteitsbewijzen te hebben, maar geen identiteit.... Bovendien gaat zijn psychorree gepaard met een volstrekte ontworteling en een al even volstrekt existentieel isolement: "Daarmee brak ook die laatste eenzaamheid aan, die slechts weinigen onder de levenden kennen: wanneer je niet alleen zonder anderen bent overgebleven, maar ook zonder jezelf". Dit verhaal is uit 1925: de associaties met de Russische tijden van toen lijken mij zonneklaar. Maar vooral opvallend is voor mij vooral hoe die bizarre tijden vorm krijgen in een verhaal dat qua inhoud, vorm en stijl voortdurend de grenzen van het realisme overschrijdt. Bovendien spreekt dit bizarre verhaal ook mij, veilig levende westerling, nadrukkelijk aan: natuurlijk heb ik geen last van psychorree, maar het weglekken van de ziel en de eenzaamheid waarin je ook zonder jezelf overblijft fascineren mij wel. Net als diverse suggestieve passages over het niets, het vacuüm, de leegte. Al was het maar mogelijkheid, als pregnante beschrijving van iets wat mij ooit onder andere omstandigheden zou kunnen overkomen, of van iets wat anderen wellicht wel degelijk overkomt.
Andere verhalen in deze bundel zijn minstens zo vreemd. Zoals het verhaal "De weggelopen vingers", waarin de vingers van een pianist nog tijdens een concert op de loop gaan en op de dool gaan langs de smerige straten van de stad. Dat kun je lezen als allegorie over de benarde tijden van musici in de vroege communistische tijden, of als metafoor van de in losse lichaamsdelen uiteenvallende mens die zo ongeveer het tegendeel is van de mens uit één stuk, maar vooral ook als demonstratie van ongeremde fantasie. Of het verhaal "Quadraturine", waarin een nijpend kleine kamer door de magische vloeistof Quadraturine tot in het oneindige groeit in de lengte en breedte, en uiteindelijk verandert in een woestijn van duisternis waarin de hoofdpersoon helemaal verdwaalt. Ook dat is weer een mooie metafoor van existentiële eenzaamheid en leegte, voor mijn gevoel. Of het verhaal "Gele steenkool", waarin de wereld gans anders wordt zodra men ontdekt dat haat en nijd kunnen worden getransformeerd tot een nieuwe energiebron. Zodat hoffelijk en liefdevol gedrag niet wenselijk is, want dat heeft geen energie. De onderwerpen van Krzjizjanovski zijn kortom aanstekelijk ongewoon, en die ongewoonheid wordt in zijn verhalen extra op smaak gebracht door hun vernuftige, verrassende en ook weer ongewone plot. Bovendien trakteert Krzjizjanovski ons op de ene bizarre prachtzin na de andere. Bijvoorbeeld: "Maar overal om hem heen strekten zich eindeloze zwarte vensters uit, als de nissen van een gigantisch crematorium". Of: "Plotseling botste hij bijna op de volgende, uit de nevel opklinkende woorden: 'Ach, mijnheer, uit uw appartement... Ik ben zelfs uit mijn eigen hoofd gezet, en met mij gaat het prima. Terwijl u...'". En, niet te vergeten: "Het hese gegil van claxons rinkelde en rammelde in de ruiten en het zachte vlees van de mensenmassa, dat zich uit alle mogelijke spleten naar buiten leek te blijven persen, werd gekneed tussen de muren van de straat".
Al deze bizarre fantasie stimuleert mij zeer om anders te gaan kijken naar de vreemdheid van de wereld om mij heen en in mijn eigen hoofd. Bovendien word ik vrolijk en geïnspireerd van Krzjizjanovski's filosofische passages. Zo zegt een zeer bijziend personage bijvoorbeeld: "[In]middels heb ik achtenhalve dioptrie. Dat betekent dat vijfenvijftig procent van de zon voor mij niet bestaat. Ik hoef mijn biconcave ovalen maar in hun foedraal te stoppen en de wereld wordt op slag kleiner en waziger, alsof ook die in een donker, krap foedraal is gestopt. Rondom mijn ogen bevinden zich bewegende grijze vlekken, een troebel floers en lange draden van ronde doorzichtige stipjes. Soms, wanneer ik met een zeemdoek mijn bestofte glazen afveeg, krijg ik een curieus gevoel: stel dat de hele wereld, samen met de stofjes die de glazerige krommingen beslaan, zomaar verdwijnt, alsof ook die zich erop had vastgezet?". De ik- figuur oppert hier dus serieus dat de wereld zou kunnen verdwijnen zodra de bril verdwijnt waardoor hij die wereld ziet. Dat lijkt vreemd, maar meerdere filosofen dachten inderdaad dat de taal en de waarneming de grenzen zijn van mijn wereld, of op zijn minst van de voor mij kenbare wereld. Waardoor die wereld zeer voorlopig is, en precies die voorlopigheid krijgt bij Krzjizjanovski nog extra nadruk door al zijn surrealistische zinnen, beelden en verhaalwendingen. Zoals, bijvoorbeeld, het beeld van de psychorree. En ook het steeds terugkerende motief van de leegte, het vacuüm, het niets: het niet- zijn dat gaapt onder al het zijn.
Krzjizjanovski speelt ook met dit soort filosofische denkbeelden in het verhaal "De ongebeten elleboog". Dit tamelijk hilarische verhaal draait om een man die steeds in zijn elleboog poogt te bijten maar daar continu net niet in slaagt, en die door het volharden in deze onmogelijke poging uitgroeit tot een wereldwijd de aandacht trekkende circusattractie. Een attractie die zelfs de aandacht krijgt van een filososoof, een "ellebogist" die de onbijtbaarheid van de elleboog ziet als een belangrijk filosofisch principe. "De gedachtegang van de filosoof was: iedere vorm van het concept dat in de taal der grote Duitse metafysici wordt aangeduid als Begriff stamt in zowel lexicaal als logisch opzicht van greifen af, wat 'grijpen, vatten, zich vastbijten' betekent, maar ieder Begriff of logisme verandert, eenmaal ten einde gedacht, in een Grenzbegriff, oftewel iets wat ons verstandelijk bereik ontglipt een niet kan worden gevat door kennis, precies zoals de elleboog niet kan worden gevat door de tanden". Behoorlijk absurdistisch, deze passage, maar de analogie tussen "Begriff" en "greifen" is ook ooit door Hegel opgemerkt (al dacht Hegel uiteraard niet aan bijten en ellebogen), en iets na deze passage jongleert Krzjizjanovski op weliswaar eigenzinnige maar wel gemotiveerde wijze met Kant. In onnavolgbare zinnen als: "[H]et immanent- transcendente is altijd in het 'hier', uiterst dicht bij het verstandelijk bereik, bijna binnen de grenzen van het apprecipiërend apparaat, zoals de elleboog bijna te bereiken is door de grijpinspanningen van de kaken, maar 'al is de elleboog dichtbij, bijten zul je hem nooit', en het Ding an Sich zit in ieder 'zich' maar het is onbereikbaar". Je kunt nooit het "ding op zich" kennen, zei Kant inderdaad, want je kent de dingen alleen via de interpretatierasters van je zintuiglijke waarnemingen en je verstandelijke vermogens. En dus, zegt Krzjizjanovski, is elk "begrip" alleen maar een "Grenzbegriff", en is elke poging om voorbij de grenzen van het Grenzbegriff te komen - en het onbereikbare Ding an sich toch te bereiken- even vergeefs als het willen bijten in je elleboog.....
Ik bewonder hoe elegant en humorvol Krzjizjanovski dat alles in dit verhaal zegt. En nog mooier vind ik hoe hij de in het begrip "Grenzbegriff" aangeduide ongrijpbaarheid thematiseert in al zijn verhalen. Ik vind het dus fascinerend hoe Krzjizjanovski ons in elk verhaal opnieuw meevoert in een wereld waarin elk begrip een "Grenzbegriff" is, en waarin de onbereikbaarheid van de dingen zo nadrukkelijk op de voorgrond staat. Een wereld waarin vingers gewoon zelf aan de wandel kunnen gaan, waarin nijd een energiebron kan zijn, waarin ook zilverlingen een eigen dynamisch leven kunnen lijden, waarin de ziel door psychorree leeg kan lekken in de leegte, en waarin iemand niet alleen uit zijn huis kan worden gezet maar zelfs ook uit zijn eigen hoofd. Heel aanstekelijk vond ik de voortdurende ongewoonheid van inhoud, stijl en plot. Bovendien vond ik de verhalen zowel macaber als grappig, zowel aanstekelijk fantasievol als filosofisch uitdagend, en even beklemmend als inspirerend en geestverruimend. Krzjizjanovski is kortom een ontdekking voor mij, zoals ik al zei. Dus ik ga meteen op zoek naar meer!