What do you think?
Rate this book


304 pages, Paperback
First published January 1, 1949
Dromen, tedere dromen rond een kind. Holland, groene weiden, bloesemende kersenboomgaarden, tulpenvelden onder lage luchten. Een kind plukt boterbloemen… Hoe is dat, boterbloemen? Zoet en mals… Duinen… zacht mul zand en een klein meisje, dat zandtaartjes bakt, dat naar haar moeder opziet en lacht. Kan het sombere kleine meisje, daar vóór haar, werkelijk lachen? In Holland wel. In Holland is alles anders. Daar hangt de hitte niet, beklemmend en verstikkend als een onreine epidemie, die geen einde neemt. Daar zijn de regens koel. Daar kan een klein meisje haar gezichtje opheffen naar de hemel, en een zachte Meiregen zal haar wangen besproeien, en het zal koel en zuiver zijn als dauw.
De huizen waren klein en grauw, zonder oprijlanen, zonder erven; de kamers benauwd en donker; nergens was ruimte, nergens lucht. Het was een vreemde hostiele wereld, waar een onafgebroken ijskoude regen, die niets liefelijks had, uit deprimerende wolken naar beneden gutste. Niemand kende haar. Niemand wenste haar te kennen. Niemand wist wie zij was: de dochter van de rijke Bruno Waringa. Het gedrag van haar vader te haren opzichte veranderde; hij werd strenger, barser dan hij ooit geweest was. Hier zag men zijn leeftijd, hoe rechtop hij ook liep. Hij was een oud man aan het einde van zijn leven. […] Meer en meer leek hij op een doodzieke ruiende arend.