Dit boek is een vervolg op 'Het oerboek van de mens', waarin de Bijbel wordt gelezen als een antwoord op de plagen die de mensen treffen in de overgang van het jagen-verzamelen naar de landbouwsamenleving, gebaseerd op bezit, het ontstaan van ongelijkheid en stedelijk samenwonen. In dit boek worden de effecten van deze ontwikkeling op de positie van vrouwen geanalyseerd. In de groepen jagers-verzamelaars bestond geen prive-bezit en de verhoudingen waren tamelijk egalitair. En vrouwen hadden voldoende mogelijkheden om mannen die op basis van lichamelijk overwicht naar macht streefde tegenstand te bieden: hun economische bijdrage aan de groep was groter dan die van de mannen (ongeveer 60% van de calorieën werden door vrouwen ingebracht), er waren sterke vrouwelijke netwerken (moeders-dochters-kleindochters) en er was relatieve seksuele vrijheid: geen levenslange monogamie binnen een huwelijk, maar seriële monogamie. De overgang naar de landbouwsamenleving leidde tot het genereren van overschotten, die werden toegeëigend. Omdat er veel concurrentie om bezit was, nam de hoeveelheid geweld toe en dat leidde tot het vormgeven van mannelijke agressie in de vorm van de strijder. Het ontstaan van bezit leidde tot de behoefte om de overerving te regelen en omdat de mannen ondertussen met behulp van geweld het eigendom zeker stelden, ging de overerving in patrilineaire vorm. De vrouwen kwamen daarmee van buiten, werden uit hun netwerk gehaald. Vaak werd een bruidsschat betaald en werden vrouwen dus in zekere zin verdingelijkt. Een andere belangrijke ontwikkeling is het ontstaan van het Christendom als machtsgodsdienst. God als potentaat is min of meer een afgeleide van de goden uit Mesopotamië, die alsmaar dwingender werden in hun oordelen over de mensen; deze goden speelden een belangrijke rol in de legitimering van de macht van de Koning. De monotheïstische God van het oude testament heeft belangrijke eigenschappen van deze goden overgenomen: hij is boos, veeleisend en jaloers; hij eist volledig onderwerping, net als de vorsten uit de stadstaten, die werken gekenmerkt door een enorme ongelijkheid. De Joden probeerden met deze God de macht weg te halen bij de Koning, maar lieten de macht zelf in stand. Voor vrouwen betekende dit dat zij, via Eva, de schuld kregen van de toorn van God, waarmee zij de erfzonde over de mensen had afgeroepen. Daarmee werden zij onder curatele van de man gebracht. Het verhaal van Jezus pas eigenlijk niet in deze traditie, maar het boek laat zien dat eerst Petrus de Griekse misogynie in het Christelijke verhaal heeft gebracht, opnieuw met behulp van de erfzonde; maar vooral de Romeinse keizers hebben een enorme draai aan het verhaal kunnen geven; zij zijn niet 'bekeerd' tot het Christendom, zoals wij steeds hebben geleerd, maar zij hebben het absolutistische machtspotentieel van het christelijk monotheïsme op de juiste waarde geschat. Daarmee ontstond een machtig verbond van Kerk en Staat, waarbij de religie de macht legitimeerde. De prijs daarvoor werd door vrouwen betaald in hun onderschikking. Deze onderschikking is van culturele aard, en is daarmee weerbarstig, maar niet onveranderlijk. In de laatste hoofdstukken geven de auteurs aan dat ze de patrix (de patriarchale matrix) geleidelijk zien afbrokkelen, omdat er altijd vrouwelijk verzet is geweest en gebleven tegen de onderschikking, maar ook omdat de fundamentele Bijbels ongelijkheid blijft botsen met de evolutionaire erfenis van Homo sapiens die veel meer egalitair van aard is. Het bijzondere van deze auteurs is dat ze twee auteurs is dat ze uit zeer verschillende disciplines komen: Van Schaik is evolutie- en gedragsbioloog; Michel is cultuurhistoricus. Af en toe is de taal erg ronkend, maar is zeker een waardevol en diepgravend boek.