Waar Renate Rubinstein (1929-1990) verscheen was er reuring. Vanaf 1961 maakte zij furore met de stukken die zij onder de naam Tamar in Vrij Nederland publiceerde. Of deze nu gingen over haar liefdesleven, het gemis van haar in de oorlog vermoorde vader, de moeilijke relatie met haar moeder, het koningshuis of het feminisme: ze waren altijd origineel, eigengereid en spraakmakend. Ze schreef openhartig over haar Joodse achtergrond, haar pijnlijke scheiding en haar ziekte MS. En zelfs postuum veroorzaakte Rubinstein nog ophef met het boek Mijn beter ik, over haar geheime relatie met Simon Carmiggelt, ‘de meest getrouwde schrijver van Nederland’.
Dertig jaar na Renate Rubinsteins overlijden brengt Ronit Palache via deze rijke bloemlezing een ode aan haar autonome geest. Aan de hand van Rubinsteins autobiografische teksten, columns, lezingen en brieven, waarvan een deel niet eerder in boekvorm verscheen, krijgt de lezer een intiem beeld van een ambivalente vrouw die er niet voor terugschrok zichzelf en anderen de waarheid te zeggen.
Rubinstein werd geboren in Duitsland. Ze moest op jonge leeftijd vluchten, waarna zij via Amsterdam en Londen uiteindelijk weer in Amsterdam terechtkwam. De vlucht van familie Rubinstein mocht niet baten, want de Duitsers arresteerden in 1940 haar Joodse vader en vermoordden hem later in Auschwitz. Deze gebeurtenis zou een bepalende factor worden in Rubinsteins leven en werk. Haar hele leven zou ze blijven zoeken naar een vader-figuur, wat volgens sommigen haar band met de Duits-Britse socioloog Norbert Elias zou verklaren.
Rubinstein volgde het Vossius Gymnasium te Amsterdam, maar werd na vier jaar van school gestuurd. Ze werkte drie dagen per week bij uitgeverij G.A. van Oorschot, en leefde samen met de jurist Willem Frederik van Leeuwen. Vervolgens werkte ze drie jaar in een kibboets in Israël en studeerde ze twee jaar aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. Op grond van die studie kon ze in 1955 worden toegelaten als student politieke en sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Tijdens haar studie, die ze na twee jaar afbrak, begon ze haar carrière als schrijfster onder andere bij het Nieuw Israelietisch Weekblad en Propria Cures. Later schreef ze voor Vrij Nederland (VN), Het Parool, NRC Handelsblad, Avenue, Hollands Weekblad, Hollands Maandblad en Tirade.
Haar VN-columns, die vanaf 1962 wekelijks verschenen onder het pseudoniem Tamar, hadden een trouw publiek en werden gekenmerkt door een beknopte en heldere stijl, met soms zeer persoonlijke ontboezemingen over haar echtscheiding (gebundeld in Niets te verliezen en toch bang) en haar ziekte (gebundeld in Nee heb je) en verder over uiteenlopende onderwerpen zoals Friedrich Weinreb (polemiek met Willem Frederik Hermans), bijstandsmoeders (polemiek met Hugo Brandt Corstius over Selma Vrooland), wereldpolitiek, binnenlandse aangelegenheden, katten en bloemen.
In 1977 werd bij Rubinstein multiple sclerose geconstateerd. Dit bracht grote veranderingen in haar leven teweeg, die ze te boek stelde in Nee heb je (1985). Rubinstein overleed op 61-jarige leeftijd. Ze werd begraven op de Amsterdamse begraafplaats Zorgvlied.
Kort na haar dood verscheen haar boek Mijn beter ik, waarin onthuld werd dat ze jarenlang een geheime verhouding had met Simon Carmiggelt. Eerder was ze getrouwd met de literair criticus Aad Nuis en met de psycholoog en columnist Jaap van Heerden.
Korte en iets langere stukken over veel verschillende onderwerpen: liefde, dood, ziek zijn, feminisme (vond ze onzin- ik spreek voor alle mensen, en niet alleen voor vrouwen-), Israël, de oorlog en jodendom. Je ziet haar voor je, onstuimig, beweeglijk, met een duidelijke mening die ze graag wil verkondigen. En verandert ze later van mening, dan schrijft ze dat ook. Het krachtigst: "Kloten. Man weg. Koffers gepakt, verdwenen." Het ontroerendst, in het stuk 'Behalve ziek ook gezond: "...spot, oprechtheid, liefde. Dat is de beste troost. " (Voor mensen die ziek zijn). Ze schrijft dat ze ongelukkig is en je leeft met haar mee. Omdat ze ook weer grapjes daarover maakt, denk je: "Het komt wel goed..."
Gisteren op t.v. interviews gezien, niet met haar, maar van Ischa Meijer, in de jaren negentig, met Annie M.G. Schmidt. Over hoe de oorlog in al die levens een niet uit te wissen rol speelt. Eigenlijk het leven bepaalt. Logisch, maar goed om daarvan doordrongen te zijn.
Een stevige privé-domein bloemlezing met wrikken over ‘allerlei zware onderwerpen’ lezen werkt best goed op het Baskische strand. Haar stem is (nog) zo levendig en driedimensionaal in deze stukken dat het lezen uitdaagt. Het is prikkelend, maar niet respectloos; daarom maakt het niet uit dat ik het niet altijd eens ben met Renate Rubenstein. Prachtig weergegeven door Ronit Palache per onderwerp. De scheidslijn tussen onderwerpen zijn dun, dus het is het zeker waard om daarmee te spelen in je eigen lezing. Palache’s inleiding over sommige specifieke onderwerpen en Rubensteins (ongelukkig) verouderd taalgebruik zijn waardevolle toevoegingen. _____ Ik heb wellicht Demeter geplagieerd omdat ik zag dat zij dit boek ook wilde lezen. Aan de andere kant dit is niet de eerste collectie columns (en fragementen) die ik lees uit Privé Domein over o.a. het Jodendom. Shoutout naar De ontdekking van de wereld: kronieken.
Een boek om in te bladeren en weer weg te leggen en weer op te pakken. De, meestal korte, columns van Rubinstein doen het goed op een koffietafel. Een kwartiertje lezen en je bent even helemaal weg (en glimlacht). Is ze lichtvoetig? Soms wel. Soms lijkt het alleen maar zo. Israël, vrouwenrechten en racisme, er komt flink wat voorbij als je er eens goed voor gaat zitten. Sommige stukken en meningen doen tegenwoordig wat achterhaald aan, maar de meerderheid van de columns blijft overeind staan. En als je even denkt ‘oei’, dan pakt ze jou met een kwinkslag alsnog in. De stukken over haar leven als MS-patiënte raakten me het meest. Aan de hand van haar eigen verhaal legt ze de onwennigheid bloot die veel mensen dwarszit in het omgaan met ziekte en zieken. Iedereen die ziek is, is ook gezond. Onthoud vooral dat laatste. Dat is zo ongeveer wat Rubinstein ook zegt, maar dan met veel meer zwier dan ik.
Wat een verzameling van columns, langere artikels, visies en standpunten over diverse onderwerpen. Maar door de redactrice in een logisch thematisch kader gegoten. Heb destijds veel van haar Tamar-bijdragen in Vrij Nederland gelezen, een fijn weerzien.
Mooie bloemlezing van Rubinsteins werk. Ze was de uitvinder van de column en schreef over van alles en nog wat; bijna altijd feitelijk en zonder zichzelf te sparen. Niet alles heeft de tand des tijds doorstaan of vond ik boeiend (en dan was dit nog gecureerde verzameling). De aantrekkingskracht van het publiceren van brieven (laatste hoofdstuk) begrijp ik ook niet zo goed.
Paar citaten: Ik begrijp niets van het antisemitisme. Het is ook zo’n weinig logische leer. Nu eens is men tegen de joden omdat ze agenten van het bolsjewisme zijn, dan weer en vaak in één adem omdat ze in dienst staan van Wall Street.
Ik was er, sinds ik van school ben, op uit om het geld verdienen te beperken tot het noodzakelijke minimum van tijd, zodat ik de rest van mijn tijd kon besteden aan wat mij het leven zelf lijkt en wat je ook nietsdoen kunt noemen.
Verbazingwekkend hoe Renate Rubinstein in haar columns uit de jaren 1960-1980 zoveel recente onderwerpen benoemde. En het bijzondere is dat er in vijftig jaar niet eens zoveel veranderd is. Ze schrijft over complottheorieën, feminisme, scheiding, zionisme, patriarchaat, vrouwzijn. Wat een vrije, zelfstandige eigenwijze, intelligente, onafhankelijke vrouw.