De correspondentie van Erasmus is een van de meest interessante briefwisselingen die de wereldliteratuur heeft voortgebracht. In dit zestiende deel van de integrale uitgave van alle 3141 brieven van en aan Erasmus zijn de brieven opgenomen die van augustus 1529 t/m juli 1530 werden geschreven. Dit deel is vertaald door Tineke ter Meer.
In het voorjaar van 1530 reisden vele vorsten en andere hooggeplaatste personen uit het Heilige Roomse Rijk naar Augsburg om de rijksdag bij te wonen. Op de agenda stond natuurlijk de godsdienstkwestie. De grote afwezige hierbij was, in de ogen van zijn correspondenten, Erasmus. Het gerucht ging dat de keizer hem ontboden had, maar dit was naar zijn zeggen niet waar. Zelfs als dat wel het geval was geweest, was hij niet naar Augsburg gegaan, want hij was ziek. Bovendien zag hij geen oplossing voor het probleem. ‘Als iemand iets redelijks naar voren brengt, krijgt hij meteen “Dat is lutheranisme!” naar zijn hoofd’. Dit laatste schrijft hij aan Melanchthon, die evenals anderen een uitvoerige beschrijving van zijn ziekte krijgt.
Erasmus haalt in een pamflet over een eventuele oorlog tegen de Turken fel uit naar de handel in aflaten als manier om een dergelijke onderneming te bekostigen. Om te voorkomen dat hij hierdoor met Luther geassocieerd wordt, legt hij die kritiek in de mond van ‘de mensen’. Hij wil immers geen reformatie waarbij kerkelijke gebruiken die op zichzelf goed zijn op de schop gaan omdat sommigen ze misbruiken. Op aandringen van de bisschop van Londen, Cuthbert Tunstall, spreekt hij duidelijk zijn acceptatie van de traditionele visie van de kerk op de eucharistie uit. De 23 brieven uit dit deel die Erasmus en Bonifacius Amerbach met elkaar wisselden, hebben duidelijk een privé-karakter. Amerbach, jurist aan de universiteit van Bazel, kon tegenover Erasmus ongeremd zijn ongenoegen uiten over de reformator Oecolampadius, die iedereen bij ‘zijn’ avondmaal wil hebben. Omgekeerd kon Erasmus bij Amerbach terecht met zijn zorgen over zijn petekind Erasmius Froben. Over de opleiding van de ongeveer vijftienjarige jongen, zoon van de drukker Johann Froben, was enige discussie. Uiteindelijk vertrekt Erasmius naar Leuven met een aanbevelingsbrief voor de hoogleraar Latijn van het Drietalencollege aldaar, Conradus Goclenius.
Desiderius Erasmus Roterodamus (28 October 1466 – 12 July 1536), known as Erasmus of Rotterdam, or simply Erasmus, was a Dutch Renaissance humanist, Catholic priest, social critic, teacher, and theologian.
Erasmus was a classical scholar and wrote in a pure Latin style. Among humanists he enjoyed the sobriquet "Prince of the Humanists", and has been called "the crowning glory of the Christian humanists". Using humanist techniques for working on texts, he prepared important new Latin and Greek editions of the New Testament, which raised questions that would be influential in the Protestant Reformation and Catholic Counter-Reformation. He also wrote On Free Will, The Praise of Folly, Handbook of a Christian Knight, On Civility in Children, Copia: Foundations of the Abundant Style, Julius Exclusus, and many other works.
Erasmus lived against the backdrop of the growing European religious Reformation, but while he was critical of the abuses within the Catholic Church and called for reform, he kept his distance from Luther and Melanchthon and continued to recognise the authority of the pope, emphasizing a middle way with a deep respect for traditional faith, piety and grace, rejecting Luther's emphasis on faith alone. Erasmus remained a member of the Roman Catholic Church all his life, remaining committed to reforming the Church and its clerics' abuses from within. He also held to the Catholic doctrine of free will, which some Reformers rejected in favor of the doctrine of predestination. His middle road approach disappointed and even angered scholars in both camps.
Erasmus died suddenly in Basel in 1536 while preparing to return to Brabant, and was buried in the Basel Minster, the former cathedral of the city. A bronze statue of him was erected in his city of birth in 1622, replacing an earlier work in stone.