Paulus Adrianus (Paul Adriaan) Daum, publicerend als P.A. Daum of onder het pseudoniem Maurits, was een Nederlandse journalist, toneelschrijver en romanschrijver. Zijn meest gelezen werken zijn de romans Uit de suiker in de tabak en Goena-Goena.
Ik kende Daum al van Goena goena en Van de suiker in de tabak en wist dus al ongeveer wat ik kon verwachten van deze ‘oorspronkelijk Indische roman’. Ook dit verhaal is een meeslepend relaas, waarin de auteur een onverbloemde beschrijving geeft van de ambities en de frustraties, de wellevendheid en de lompheid, de ontroerende opofferingsgezindheid en het bekrompen egoïsme van zijn personages, die verschillende bevolkingsgroepen vertegenwoordigen van het Nederlands-Indië van de tweede helft van de negentiende eeuw. In de inleiding beschrijft Gerard Termorshuizen dat Daum zich liet inspireren door het naturalisme van Zola en dat is te zien. Daum fileert de Nederlands-Indische samenleving zonder een blad voor de mond te nemen en zonder zich te bekommeren om stilistische hoogstandjes. Dat maakt boek ook nu nog prettig leesbaar, ondanks de oude spelling en het gebruik van woorden en uitdrukkingen die niet meer gangbaar zijn.
Er is een fragment dat mij bevreemdde. Het lijkt wel of Daum daar, zijn directheid op andere momenten niettegenstaande, ineens aarzelt om precies te zeggen wat hij bedoelt. Dat is op zich geen punt, maar ik begrijp werkelijk niet wat hij precies wil zeggen met deze bespiegelingen van de pasgetrouwde George Vermey:
“En ook het ce qu’on ne voit pas had zijne verwachtingen overtroffen; het schikte dus alles beter dan hij had gedacht ; want hij was erg bang geweest voor zichzelven. Hij had wel eens gehoord dat juist jonge mannen zoals hij, die veel in de buitenlucht hadden geleefd, bij zekere gelegenheid een bijster mal figuur maakten door psychologische oorzaken. Maar dat was niet erg geweest! Hij had zoo gemakkelijk a gezegd, als een professor in … het alphabet.” (pag. 162)
Gaat dit over zijn prestaties als minnaar van zijn echtgenote? Is dat waar ‘ce qu’on ne voit pas’ en ‘bij zekere gelegenheid’ naar verwijst? Maar als dat zo is, wat is dan in vredesnaam het verband met een leven in de buitenlucht? En ook die laatste zin komt mij nogal merkwaardig over in deze context. Als iemand een plausibeler idee heeft over de betekenis van dit fragment, houd ik mij van harte aanbevolen.