Later on (not today) I might add an English summary of what follows in Dutch.
Zoals elders op deze website te zien, ben ik begin maart 2021 begonnen met het lezen van ‘Doctor Faustus’, een roman van Thomas Mann. Vooral onderweg, reizend met openbaar vervoer, neem ik ter lezing daarentegen het liefst iets duns mee. Dat werd ‘Kindernovelle en andere verhalen’ van Klaus Mann. Daarmee begon ik een dag later, op 9 maart 2021 (staat nog niet op GR). Op 13 maart bezocht ik, op afspraak, een boekhandel. Daar werd ik gewaar dat van Britta Böhler een nieuwe roman is verschenen. Gelet op de goede ervaring met haar vorige, ‘De beslissing’, heb ik ‘m blind aangeschaft; ik heb niet eens naar de achterkant van het boek gekeken. Wat heeft zich dus voorgedaan: Na een eerste roman van Britta Böhler die over Mann gaat, heb ik temidden van lezing van werk van vader Thomas en zoon Klaus de volgende roman van Britta Böhler gelezen. Ik zeg: toeval bestaat.
De hoofdpersoon is de jurist Elias Andriessen. Net als de roman moet dit personage op gang komen, in zijn bezigheden op de universiteit. Hij mijmert over het karakter van wetgeving. Nadenkend over het begin van een nieuw artikel staat er: “Beginnen met het feit dat hij geloofde in de kracht van de wet, in het vermogen ervan om orde te scheppen in de wereld, in het doel om universeel, objectief, onpartijdig te zijn. … Zoals alle menselijke constructies waren wetten nooit foutloos, net zomin als degenen die ze toepasten.” (pagina 22-23)
Mijn eigen mijmering over de geciteerde passage is, dat wetten mede daarom zo waardevol zijn, omdat zij de juridische codificatie vormen van ontwikkelingen en trends in de samenleving. Dat is wat ik medio zeventiger jaren tijdens de opleiding Gemeente Administratie I heb geleerd, en wat sindsdien ook mijn eigen observaties zijn. In de praktijk is dat makkelijk waar te nemen in de Verenigde Staten, getuige rigoreuze beleidswijzigingen sinds begin 2017 en opnieuw sinds begin 2021. In Europa, althans Nederland, gaat het iets minder snel, naar mijn idee omdat de ambtenarij hier veel minder gepolitiseerd is. Je ziet dat de wetgever inderdaad een grote reikwijdte en uniformiteit van regels nastreeft. Ook met objectivering van (criteria in) regels is dat wel het streven, maar de waarden die in regels worden vastgelegd, vormen wel de neerslag van een politiek gestuurde standpuntbepaling. Dat er onbedoelde vaagheid en meerduidigheid en incongruentie met verwante regelgeving in het eindresultaat zit, leidt tot de noodzaak van interpretatie van overheidsregels. Ook dat is een rechtsgebied, waarin onder meer advocaten hun werk doen.
Deze roman behandelt een specifiek deel van het recht, te weten restitutie van beeldende kunst en wat daarbij aan onderhandelingen en juristerij komt kijken. Britta Böhler heeft tegenwoordig haar eigen leerstoel Advocaat en Ethiek aan de Universiteit van Maastricht. In 2019 is zij benoemd in het College voor de Rechten van de Mens. De makkelijk te verdringen vraag kan dan rijzen, of zij met dit boek een advocaten-vakboek, een dik essay, heeft geschreven. Ik gaf het antwoord al: dat is niet het geval. Het is voluit een roman. We kunnen het verhaal en de betekenislagen, waarop het is gestoeld, op de eigen merites waarderen.
We krijgen eerst een introductie van de hoofdpersoon die een advocaten-tint heeft; dat is nodig om de man als persoon te snappen, in zijn sociale context, zijn beroepsethiek en waarin dus zijn handelen karakter- en beroepsmatig wortelt. In het boek ontwikkelen zich dan twee sporen: die van advocaat Elias en zijn dochter Mia, die beiden in contact komen met zakenman en kunstliefhebber Tony en zijn vrouw Isabel. Elias wordt gevraagd zich als advocaat namens de eigenaar met Tony als tussenpersoon in te zetten voor de teruggave van een onlangs opgedoken beroemd schilderij: Der Turm der blauen Pferde van Franz Marc. Dochter Mia wordt door het echtpaar ingeschakeld bij hun nieuwe stichting die het opneemt voor familie van vermiste personen. Langzamerhand krijgt een integriteitsconflict hardere contouren.
In de vorige zin staat het kernmotief van de roman. Hoe behoud je je integriteit als door persoonlijke invloeden ‘corrosie’ dreigt? Hoe verhoudt zich dat tot loyaliteit aan je cliënt. Wat dit laatste betreft, is sprake van onduidelijkheid over de identiteit van de eigenaar van het schilderij. Over het onderzoek naar de waarde van het schilderij wordt schimmig gedaan. Het boek geeft door de aard ervan minder een ontwikkeling van karakters weer dan dat het de hiervoor genoemde vragen behandelt: het is een ideeënroman. Doorheen de roman wordt het centrale idee helder en contrastrijk in woorden gevat.
Ik heb mij, op beeldende-kunstgebied een leek, afgevraagd of een advocaat die werkzaam is op het gebied van eigenaarschap van beeldende kunst van onduidelijke herkomst, geïnteresseerder zou moeten zijn in de identiteit van de persoon die hij vertegenwoordigt. In de roman wordt volstaan met een machtiging ‘in het kwadraat’, via een notaris. Ook bevreemdt mij in de voorstelling van zaken in de roman de minimale rol van het betrokken veilinghuis. Zij hebben mij niet afgeleid van aandacht voor de omschreven hoofdzaken.
Al met al heb ik ruime waardering voor de levensechtheid van het verhaal, de thematiek en voor de manier waarop het is opgedist.
O, nog een losse opmerking. Een van de personages, een Duitse advocaat, heet Bruckner. Wegens mijn grote affiniteit met de wereld van de klassieke muziek moest ik telkens de gedachte van mij af zetten hoe de grote Oostenrijkse componist Anton Bruckner toch in zo’n ander kunstgenre verzeild was geraakt. JM