Elias of het gevecht met de nachtegalen is door sommigen vergeleken met het proza van Rilke, door anderen met Le grand Meaulnes van Alain-Fournier of met de verhalen van de surrealisten, maar de roman onttrekt zich aan deze vergelijkingen door de volstrekt unieke wijze waarop Maurice Gilliams het onderbewuste, de jeugdherinnering, de droom en het poëtisch visioen tot uiting brengt. Elias of het gevecht met de nachtegalen is geen roman in de gewone zin van het woord. Het verhaal brengt niet alleen een aantal personen tot leven, maar ontvouwt ook een levensvisie. Het is een zoektocht naar zelfkennis, in de lijn van 'À la recherche du temps perdu' van Marcel Proust, maar ook van Rainer Maria Rilke en het proza van Karel van de Woestijne. De jonge Elias wordt beheerst door een ziekelijke fantasie die hem ongeschikt maakt voor het ‘gewone’ leven. Hij leeft opgesloten in de wereld van ‘het kasteel’ en wil er uit ontsnappen via ‘de beek’, maar dat lukt hem niet. Die ruimtelijke tegenstelling staat symbool voor het dualisme waarin hij gevangen zit. Tegelijkertijd brengt de roman een milieuschets van de oude, Franstalige hogere bourgeoisie rond de eeuwwisseling, een uitstervende klasse die in een sociaal en geestelijk isolement leefde. Met deze roman was Maurice Gilliams zijn tijd ver vooruit, maar hij sluit ook aan bij een traditie. Elias of het gevecht met de nachtegalen is autobiografisch herinneringsproza dat niet zozeer een verhaal vertelt als wel een weergave is van de innerlijke ervaringswereld van een introverte, overgevoelige jonge knaap, die een ‘gevecht’ levert met de bekoorlijke ‘nachtegalen’ van zijn eigen verbeelding.
Gilliams wijst het traditionele feitenrelaas af – hij noemde het ‘worstenvullerij’ – en vervangt dit door een verkenning van het ik. Centraal staat de vraag: ‘Wie ben ik?’ In Gilliams’ dagboeken kunnen we lezen: ‘Ik ben Elias’.
He was a typograph and a lecturer on typography at the Vakschool voor Kunstambachten in Antwerp. From 1947 until his death in 1982 he became a member of the Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. From 1960 until 1976 he held the position of secretary of the academy in Ghent.
His writings are autobiographical, and generally concern his failed marriage and his lost youth. He wrote both poems and prose. His most reknown work is the novel 'Elias of het gevecht met de nachtegalen' (Elias or the Struggle With the Nightingales).
He received a number of nominations and awards for his works:
1980 - Award: 'Prijs der Nederlandse Letteren' 1972 - Award: 'Driejaarlijkse Staatsprjs ter bekroning van een schrijverscarrière' 1969 - Award: 'Emile Bernheimprijs / Prix Littéraire Emile Bernheim' 1969 - Award: 'Constantijn Huyghensprijs' 1939 - Nomination: 'Driejaarlijkse Staatsprijs voor romankunst', for Elias of het gevecht met de nachtegalen 1938 - August Beernaertprijs, voor Elias or the Struggle With the Nightingales
In Belgium he was elevated to the peerage and granted the titel of baron (1980).
Er werden weinig nachtegalen in elkaar geslagen maar nog steeds een klassieker. You came for the modernistische gedachtedwalingen en pathetisch verlangen naar het Hogere, you stayed voor de homo-erotische dubbele bodem.
Een tweede lectuur is zeer aan te raden. Dit boek is zo ontzettend mooi. "Naar mijn oordeel kon hij de alledaagsche werkelijkheid niet meer eerlijk begrijpen; hij was in de loop der jaren een valschspeler geworden, steeds belust op romantische troebele gemoedsverwarringen. Zijn oog werd geboeid door het vergankelijke, het bouwvallig verlatene in oude gebouwen en eenzame menschen. Hij kon niet genieten zonder te verlangen en hij vervormde de ruwe, hartelooze waarheid der levensdingen naar de behoefte van zijn wispelturige verbeeldingszucht."
'Ik kan nog geen naam geven aan die pijnlijke onrust; ik gevoel een grote behoefte aan zelfvergetelheid. Want er woont iemand in mij, die er ook uit weg zou kunnen wandelen indien ik maar sterk genoeg was om hem te kunnen gebieden.
Een voorzichtige vijf sterren voor Elias. Ik ben zuinig met die ‚5‘ dus misschien bedenk ik me wel. Maar Elias was prachtig en elke zin was parelachtig. Cahier Een is een poëtische dwaling door de ‘vlaamsche landschappen’ en vraagt dan ook een traag leestempo om alle bezinningen en gedachten over je heen te laten kabbelen zoals de papieren bootjes op de rivier. Cahier Twee leest veel prozaïscher en vlotter en geeft een herinneringsrelaas van de kostschool en Elias, vanuit een ander perspectief.
Het boek zit vol modernistische en esthetische taal en gevoelsmatigheden die het een uitdagend maar belonend werk maken, en de verlangende latente-niet latente ambigue homoseksuele gevoelens en beschrijvingen (die ik niet had verwacht) deden bijna aan Baldwin en dergelijke denken? Het is belichamende taal en de grenzen tussen mens en natuur, en fantasie en werkelijkheid verliezen alle betekenis.
Ik heb er erg van genoten en hoewel het niet de “light read” was waar ik na Anna Karenina naar zocht heb ik er geen spijt van. Ik kan dit canonieke (letterlijk) werk dat toch best onderbelicht is alleen maar aanraden, voor Elias zijn poëzie of Olivier zijn proza. (/sorry voor de lange review lieve lezers)
“Ik nestel mij onbeschaamd in de zonde. Voor elke bizondere hartstocht uit te vieren bezit ik het vermogen eeb decor te scheppen; volgens mijn geluimdheid verandert het paradijs van uitzicht. Ik bid zelden.
Toevoeging: de Klara-podcast « Maurice Gilliams » is ook erg aan te raden als je meer wil weten over een zonderling figuur uit de Nederlandse Letteren
Leeslijst Nederlandse Letterkunde - moderne periode
Dit boek heeft iets enorm mystiek. Gilliams schrijft de meest prachtige zinnen, maar amai je moet er wel wakker voor zijn om ze te kunnen blijven volgen. De tweede cahiers was op dat vlak makkelijker begrijpbaar dan de eerste vond ik, maar dat heeft waarschijnlijk ook te maken met het verschil tussen een volwassen en een kinderlijke verteller. Ik denk dat om echt van dit boek te kunnen genieten en het ten volle te begrijpen en kunnen appreciëren ik het nog eens zou moeten lezen.
Wanneer Aloysius ons hart verontrust, hangen we in de werkelijkheid onderstboven als betooverde apen.”
Zo luidt de markante en overbekende eerste zin van het unieke en poëtische doorbraakboek Elias of het gevecht met de nachtegalen uit 1936 van de Antwerpse auteur Maurice Gilliams (1900-1982).
Elias is een 12-jarige jongen die aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opgroeit in een groot landhuis in de Kempen, dat door de plaatselijke dorpsbewoners zelfs als kasteel wordt benoemd. Daar woont hij met zijn uitgebreide familie samen met vooral excentrieke tantes en enkele neven en nichtjes. Hij is erg onder de indruk van zijn 16-jarige neef Aloysius die hem telkens weer meeneemt naar de natuur waarin ze zich samen vermaken en rondtrekken. Elias wil telkens weg van het kasteel via de beek maar lukt hier maar niet in. Dit is een symbool voor het dualisme dat steeds weer zal terugkomen in het boek.
Elias is reeds als jongen begiftigd met de zwaarte van zijn bestaan in plaats van een zorgeloze jeugd te leiden. Hij zwerft verdwaasd en angstig rond in de vele vertrekken van het grote huis. Hij lijdt al jong aan een soort melancholie die hem veel serieuzer en volwassener doet lijken dan hij echt is. Hij voelt dit zelf ook zo aan:
“Op sommige oogenblikken heb ik het bedrieglijk gevoel, minstens een dertigtal jaren ouder te zijn dan ik ben. En ik kweek die ziekelijke toestand begeerlijk aan.”
Als Aloysius op pensionaat moet, wordt hij nog eenzamer en eenzelviger, en wordt hij met een onnoemelijk verlangen naar die neef opgescheept, die hij enorm mist. Elias cultiveert zijn teleurstellingen en tegenslagen en gaat echt op zoek naar zelfpijniging om daarin bevestiging te zoeken, ook als hij uiteindelijk zelf op pensionaat moet. Je voelt als lezer zijn denkbeelden en zijn melancholie door het hele boek heen. Het taalgebruik is prachtig poëtisch, muzikaal en staat bol van beeldspraak. De roman heeft de stempel meegekregen van een poëtisch taalkunstwerk te zijn, waarin de zware zielenroerselen en de droombeelden van Elias de boventoon voeren, in plaats van verhalend proza , en zou zijn tijd vooruit zijn geweest.
“Zijn leven lang had hij met de Nachtegalen strijd geleverd, zijn onzalige droomverbeeldingen die hij bevechten ging zooals Don Quichotte de windmolens bestormde.”
Het boek bestaat uit twee delen of ‘cahiers’: het tweede cahier, dat in de loop der tijden niet altijd werd gepubliceerd bij de verschillende drukken ervan, wordt verteld door diegene die ook de proloog schreef vooraan in het boek: Olivier Bloem, een vriend uit Elias’ tijd in het pensionaat, die zelf voor dat tweede cahier enkele hoofdstukken heeft toegevoegd die handelen over zijn vernieuwde ontmoeting met zijn oude schoolvriend als volwassenen. Als jonge architect gaat Elias in dat deel de confrontatie aan met de oprukkende moderniteit in Antwerpen en zal hij instaan voor de bouw van een tuinwijk voor arbeiders aan de linkerkant van de Schelde-oever. Bloem zelf is schilder geworden, en zal door een lang verblijf bij Elias zijn schilderkunst verbreden en verdiepen. In dit ‘cahier’ komen ook enkele beschouwingen over de tijdsgeest langs van de auteur waarin het boek geschreven werd, hoewel dit niet door alle critici zo goed werd ontvangen.
Gilliams zelf zou gezegd hebben dat Elias autobiografisch werk is maar volgens de samensteller van deze publicatie van 2017, Filip De Ceuster, gaf Gilliams een heel ander beeld van zijn eigen leven middels overdrijvingen en verzinsels en klopte zijn versie niet helemaal met de werkelijkheid. De Ceuster heeft een boeiend met foto’s voorzien 48-tellend nawoord toegevoegd waarin hij meer informatie verschaft over het leven van Gilliams en de totstandkoming van dit boek. Daarnaast volgt er ook nog een korte tekstverantwoording die wel nodig is bij zulk een oude tekst met tal van herdrukken. Dit boek wordt gezien als een mijlpaal in de Nederlandstalige literatuur en is een werk van inspiratie voor hedendaagse auteurs als Erwin Mortier en Stefan Hertmans. De auteur wordt in dezelfde rij vernoemd als Marcel Proust met zijn A la recherche du temps perdu, Rainer Maria Rilke en Karel van de Woestijne. Dankzij deze uitgave kunnen nieuwe lezers kennis maken met dit meesterwerk dat vele Nederlandstalige auteurs als voorbeeld nemen.
"Alles wat mij van Elias genaakte ontglipte me, gelijk hijzelf ons verlaten had zonder een spoor van zich achter te laten. Er bleef me van hem niets anders meer over dan een herinnering aan plaatsen, gebeurtenissen, stemmingen en gemoedstoestanden. En hoe onwaarschijnlijk het moge zijn: zijn beeld in mij vervaagde, zonder dat ik het tegenhouden kon, gelijk een gulp warme adem op een ijskoude ruit." (127)
´Zijn leven lang had hij met de Nachtegalen strijd geleverd, zijn onzalige droomverbeeldingen die hij bevechten ging zooals Don Quichotte de windmolens bestormde.´ (p.122)
Ik las een eerste druk (1936) met een lang eerste deel, verteld door de hypersensitieve, jonge Elias zelf, met veel aandacht voor zijn ontwikkelend gevoelsleven en vooral voor de strijd met de buitenwereld, en een korter tweede deel, verteld door een derde persoon die Elias van nabij volgt. Uiteraard zit er een zeer groot stijlverschil tussen de twee delen. Vooral het eerste deel is een onwezenlijk droomverhaal vol met mooie impressies, en bol van de symboliek, maar soms niet helemaal op punt. Het deed me heel sterk aan Le Grand Meaulnes (1913) van Alain Fournier denken, maar dan in een voor mijn smaak iets te precieuze stijl. Ik heb wel gemerkt dat sommige andere edities alleen het eerste deel bevatten.
The coming of age of the young Elias. The interior of a castle. Oppressing, strange family. Discovery of the surrounding mysterious nature….In a strange way it made me think of Hugo Claus’ protagonist Louis Seynaeve in “The Sorrow of Belgium” (Het verdriet van België, 1983) set in the romantic atmosphere of “Le Grand Meaulnes” (1913, Alain-Fournier). Poetic phrases, astonishing creation of atmospheres. A goodread!
Had ik zo'n drie jaar geleden geweten welke impact dit boek op mij zou hebben, zou ik het dan nooit gelezen hebben? Zou ik het dan gekoesterd hebben als een sacraal relikwie? Zou ik het dan wel hebben kunnen lezen; zoals ik nu ook haast niet bij machte ben Gilliams' 'Gregoria' te doorwaden?
Elias beleeft een mooie maar enigszins merkwaardige kindertijd, op een landgoed, en in een “kasteel”, waar hij samenwoont met zijn vader en moeder en enkele tantes. Geen gewone tantes. Vooral zijn favoriete tante, Henriëtte, is een beetje speciaal. Er woont ook nog een 4 jaar oudere neef bij, Aloysius, naar wie Elias heel erg opkijkt, en met wie hij dagelijks ontsnapt naar de beek. Ze laten papieren bootjes varen op de beek. Aloysius schrijft iets in de bootjes. Voor wie zijn ze bestemd? Het verhaal balanceert de hele tijd tussen de belevenissen van de twee jongens en de fantasie van de 12-jarige Elias. Wat is er echt en wat is kinderlijke fantasie van een dromerige knaap?
Een opvallende titel heeft dit boek. Waar zijn de nachtegalen? Er komt geen enkele nachtegaal in voor. In een recensie las ik dat de nachtegalen staan voor de fantasie van de jongen. Het is een gevecht tussen de werkelijke wereld en de rijke fantasiewereld.
Als Aloysius naar een internaat moet, blijft Elias eenzaam achter. Hij blijft vluchten naar de beek en hij laat nog steeds bootjes te water.
Het boek bestaat uit 2 “cahiers”, maar het eerste is het belangrijkste en is eigenlijk een op zichzelf staande novelle. De schrijver heeft zelf het 2e cahier achterwege willen laten.
De nieuwe uitgave van 2017 is voorzien van een lijvige “appendix” met foto's, + een nawoord. (zo'n 60 blzn.) Daarin wordt het leven van Gilliams besproken en wordt vooral de persoon van de schrijver kapot geanalyseerd. Was hij geëngageerd? Was hij echt een aristocraat? Of toch een beetje een socialist? Is het boek autobiografisch of niet? Gilliams heeft ooit gezegd: “Ik ben Elias”. Maar wat doet dat ertoe? Ikzelf weet liever zo weinig mogelijk van het privéleven van een schrijver. Het ware beter dat het als een novelle was uitgegeven, … alleen het eerste cahier. Citaat: “Aloysius schijnt de weg blindelings te kennen. Ik vraag me niet af waarheen we gaan; wij hoeven immers geen doel te hebben; wij zijn er aan gewoon een onbevredigbare zwerfhonger aan te kweeken. Het worden telkens roekelooze, liefst avondlijke tochten, en wij missen weldra totaal de wilskracht om er aan te weerstaan. Hals over kop werpen wij ons in een dwaas, onbegrensd verbeeldingsleven.” En over tante Henriëtte: “Ongenaakbaar woont ze in ons midden, met heimwee naar onmogelijk-mooie dingen vervuld. Somtijds, wanneer ik in mijn vrije tijd door de kamers dwaal, vind ik haar in het salon, met gesloten oogen en als levenloos op de canapé uitgestrekt liggen, onder een langwerpig schilderij, waarop een toegevroren water, boomen en avondrood staan afgebeeld.” (Mijn 5 sterren gelden alleen voor het 1e cahier.)
Elias of het gevecht om het boek neer te leggen De psychologische roman die u moet lezen in tijden van eenzaamheid.
‘Wanneer Aloysius ons hart verontrust, hangen we in de werkelijkheid onderstboven als betooverende apen.’ Deze eerste zin, geeft op poëtische wijze onmiddellijk de essentie van het verhaal weer. Maurice Guillaume Rosalie Gilliams (20/07/1900-18/10/1982) heeft elk woord zo mooi gekozen dat elk woord klinkt hoe een nachtegaal zingt.
Het eerste waar ik als lezer moest aan wennen was het archaïsche taalgebruik, maar langzaamaan wordt dit taalgebruik aanzien als normaal en is dit zelf een noodzaak om het verhaal volledig te begrijpen. Elias en het gevecht met de nachtegalen geeft een tragische kijk op het alledaagse leven van Elias. Een twaalfjarige jongen, die opgroeit in een landhuis in de stille Kempen, die moeite heeft met de realiteit en daardoor wil ontsnappen naar een imaginaire wereld. Een wereld waarin hij goed bevriend is met zijn oudere neef Aloysius. Het leven hangt als het ware boven Elias’ hoofd zoals het zwaard van Damocles: ‘Op sommige oogenblikken heb ik het bedrieglijk gevoel, minstens een dertigtal jaren ouder te zijn dan ik ben. En ik kweek die ziekelijke toestand begeerlijk aan.’ Al zijn er wat overwegingen over de band die de neven hebben, we zien een continue tweestrijd tussen de twee. Waar liefde wel de bovenhand neemt. Als Aloysius op internaat gaat zie je hoe Elias enorm vasthangt aan zijn neef, of liever hoe vast hij hangt aan de gedachte van zijn neef. Door het vertrek van Aloysius, probeert Elias die nieuwe leegte op te vullen met allerlei dingen. Hij keert regelmatig terug naar de beek dicht bij het park, waar Aloysius hem mee naartoe nam om bootjes te laten varen, die ze samen maakte in het kasteel. Deze beek heeft een significante betekenis, deze symboliseert eerder de vrouwelijke kant van het verhaal, die voor Elias een verbogen iets is. Vandaar ook zijn interesse en goede band met tante Henriëtte die vrouwelijk, zacht en lief is, iets wat hij verlangt, maar bang is om te ondergaan. De beek is de verbeelding, de fantasie en vlucht van de verstikkende werkelijkheid van het Kasteel. Daarom dat Elias er ook niet in slaagt om de beek over te steken. Deze overkant representeert, in mijn ogen, het einde van het avontuur, maar tegelijkertijd ook de onbekende en aanlokkende wereld van de, en het andere. Als Gilliams’ schrijft over de beek en het park, is zijn schrijfwijze ook anders, hierbij schrijft hij eerder rustig en zijn zinnen harmonieuzer en langer, dan wanneer hij het heeft over de eerder mannelijke kant van het verhaal, onder andere het kasteel. Daar lijkt hij tijdens het schrijven, naar adem te happen en zo ruw te kappen in zijn zinnen, wat voor bizarre omstandigheden en chaos kan zorgen. Het lijkt of de auteur hier kampte met een hoge opgewondenheid en aan een snel tempo schrijft. Deze manier van schrijven, maakt precies het verhaal zo echt, en uniek. Hier is het kasteel de oermoeder waarin je altijd naartoe kan als de pijn en het lijden van de werkelijkheid te veel drukt op jouw bestaan, en is het ook een belangrijke plaats voor Elias. Niet alleen groeit hij daar op, maar is het ook de plaats waar hij spullen vindt om zichzelf te verminken, dit kwam volgens mij door het folterende opboksen tussen de introverte bewoners van het landhuis, en hun victoriaanse opvoeding. Dit komt duidelijk aan bod bij tante Zénobie, die vaak last heeft van zowel, fysieke, als verbale woede-uitbarstingen en stemmingswisselingen. Dat komt over als zinloze hysterie. Elias stelt het kasteel op dezelfde hoogte als zijn familie, hij is enorm door hen aangetrokken en tegelijkertijd afgestoten, door deze decadente uitstraling dat het kasteel, en ook zijn familie hebben. Het hanteren van het ik-perspectief zorgde ervoor dat ik afhankelijk van de belevenissen het gevoel had Elias door en door te kennen. Meer zelfs, alsof ik en Elias twee gelijken waren, twee jongeren die zoeken naar hun identiteit en wat ‘de echte wereld’ inhoud. Nochtans heeft Elias ook wat verborgen kanten, die je hem niet onmiddellijk zou nageven. We krijgen een duidelijke kijk over de woede en agressie die Elias probeert te verkroppen: ‘Dan moet ik, tot ziekwordens toe mijn woede verkroppen om iets waar ik de noodzakelijkheid niet van begrijp, dat het zoo droef, zoo onrechtvaardig moet zijn.’ Deze zin benadrukt nog eens extra de spanning waaronder Elias gebukt leeft, net zoals zijn huisgenoten, in het bijzonder tante Zénobie. Tante Zénobie, een misplaatst personage, dat haar eigen verhaal verdient.
Kortom, dit boek is actueler dan ooit tevoren, in tijden van COVID zien we verschillende mensen niet en lijdt dit tot eenzaamheid, en in gevallen zoals Elias, masochisme. Dit verhaal geeft een mooie inkijk op het traumatische alleen zijn, en de wanhopige zoektocht ergens anders geluk te vinden. Dit boek leerde me dat het leven niet voor iedereen is, maar dat je als mens, wel keuzes hebt.
This entire review has been hidden because of spoilers.
Hoewel ik het heerlijk vond om in Elias' wereld meegezogen te worden, geef ik deze roman 'maar' 3 sterren. Ik was niet helemaal overtuigd door de manier waarop Gilliams zijn hoofdpersonage neerzet; Elias leek me geen geloofwaardig, écht, jongetje/man, onder andere omdat hij als kind veel te volwassen is in zijn denken.
In mijn ouders' tijd was dit tegelijk romantisch en modernistisch meesterwerkje een echte schoolklassieker, maar nu is Gilliams niet meer gekend bij het grote publiek. Jammer, want zijn taal is schitterend, zo ergens tussen een hoog poëtisch maniërisme en de Vlaamse spreektaal in:
'Ginds, tusschendoor de boomen van het landgoed flikkeren de lichtjes van de illuminatie; de gekleurde lampions huiveren tusschen het gebladerte en het vuurwerk wordt afgestoken. Er stijgt een blauwe fusee aan de hemel. In het dorp draait de ronkende, boertige kermismuziek. Doch hier is alles als uitgestorven. Ik heb reeds een eeuwigheid gewacht. Gaat het niet aan een ontvoering gelijken?' (p. 24)
Op deze manier schildert Gilliams prachtige taferelen in de stille natuur van de Kempen, en later in de volkswijken van Antwerpen.
Ook de thematiek is interessant; Elias is een heel gevoelig jongetje, met soms perverse en morbide trekjes (hij laat bijvoorbeeld graag een ijskoude dobbelsteen langs zijn lichaam glijden, of prikt bewust met naalden in zijn vingers), die in een al even zonderlinge familie opgroeit. In het tweede deel van het boek zien we hoe hij na zijn strenge kostschoolopleiding architect wordt, en een sociaal woonproject in Antwerpen uittekent. Dit tweede luik (tweede 'cahier') wordt niet in alle edities opgenomen, omdat Gilliams er niet tevreden over was, maar wat mij betreft moet je het gelezen hebben om Elias helemaal te kunnen leren kennen.
Mooie novelle in een rijke taal. Het verwondert me dat ik dit boek niet las als jongere want ik herinner me dat ik van dit genre hield. De 'uitleg' achteraan van Filip De Ceuster hoeft voor mij niet. Ik vind het zelfs storend maar misschien is het voor de jongere lezers van vandaag wel interessant.
Het is zijn zinsbouw die hem deze score wint, de wijze waarop hij het meest intieme maar toch ook meest alomvattende aan de menselijke ervaring weet te omvatten in de gebrekkige woorden en uitdrukkingen. Qua verhaal kan ik hem geen eer toeschrijven, want aan verhaal is dit boek arm. Op vlak van beide sturing en houvast is dit boek gebrekkig. Dit vergeef ik hem. Erin vond ik iets dat ik lang verloren was. Mijn jeugd.
i love this book and am still reading it, more and more slowly, even slower than eee eee eee, because it melts over you like rilke and is a slow-acting antidote to publishers who insist that no one cares about the sensation of feeling your feet on the ceiling.
Een (redelijk) oud boek, geschreven in oud Nederlands wat wel een zeker afstand creëert. Het vergt enkele pagina's om eraan gewend te geraken. Geschreven in erg romige bewoordingen en met gevoel voor romantische dramatiek. Compleet anders dan alles wat ik tot nu toe gelezen heb.
De vermenging van objectieve en subjectieve realiteit in het eerste deel werkt enigszins desoriënterend en dat is best fijn. Een beetje zoals Murakami dat ook doet, maar dan anders. Een dramatisch verhaal waarvan het einde abrupt komt en toch verwacht is. Wat mij betreft gaat Elias over verschillende vormen van liefde en de schijnbare onmogelijkheid voor onze protagonist om te connecteren. Tegenwoordig zouden we hier allerlei diagnoses op plakken en het is fijn dat dit niet gebeurd in dit boek.
Drie sterren omdat ik vier of vijf sterren echt voorbehoud voor boeken die er wat mij betreft bovenuit steken en dat doet dit boek misschien net niet.
Elias is een jongen die ruim honderd jaar geleden opgroeit in een kasteel, in een familie vol tantes en ooms met eigen gewoonten en trekjes. Onbezorgd trekt hij met zijn oudere neef de natuur in en geniet hij van het buitenleven. Enigszins romantisch fijnbesnaard relaas van een welgestelde familie in een lang verleden tijd, een beetje oubollig maar tegelijk zowel interessant als resultaat van een schrijfstijl uit de jaren 1930 als ook het gestolde beeld van een levensstijl enkele tientallen jaren voordien.
"Er resten mij nog een paar oogenblikken om van dit verval te genieten, een paar gierig getelde momenten voel ik de vermoeide strooming mij met hart en ziel naar het witte landhuis trekken; daarna krijg ik in de wereld een plaats voor altijd, waar geen strooming meer te gevoelen is."
This book is so curious I really wanted to like it. The boy at the center of it is imaginative and curious and brave but sort of lost spending a summer or longer at a farm house with his much older relatives. A lot of the story seems a little like Elias is dreaming but suddenly something terrible happens that makes you realize he is actually awake. It kind of peters out because not a whole lot happens to him during this summer to make you stick with the story.
Excellent simply excellent! As a fellow officer I can only say that Conover did a marvelous job of capturing the hearbeat of correctional work. He was well deserving of the Pulitzer Prize.