Samengesteld door Jacques De Visscher en Jean-Pierre Monsieur, met een bijdrage van Daan Verhoeven
Toen iemand Cornelis Verhoeven (1928-2001) vroeg of ook hij een aanhanger was van het adagium Nulla dies sine linia (‘Geen dag zonder lijn’), antwoordde hij prompt met: ‘Maak er twee van’. Eigenlijk bedoelde hij ‘twee bladzijden.’
In het Nederlands taalgebied is hij nog steeds een van de belangrijkste filosofen. Hij mijmerde veel en moest daarbij opschrijven wat hij bedacht, waarover hij zat te prakkiseren. Vaak ging het om kleine stukjes, haast aforismen, kleine oefeningen in bezonken verwondering, die hij dan onder een titel bracht. Het waren veelal opstellen van niet meer dan duizend of twaalfhonderd woorden die hij als het ware in één ruk schreef. Soms ook waren die opstellen uitvoeriger. Hoe dan ook: meer dan een lijn per dag.
In zijn nalatenschap bevindt zich een tweehonderdtal van zulke pennenvruchten, stukjes uit zijn vroegste periode in de aanloop tot het proefschrift Symboliek van de voet (1956) en de boeken waarmee hij doorbrak, Rondom de leegte (1965), Het grote gebeuren (1966) en Inleiding tot de verwondering (1967). Uit die ongepubliceerde nalatenschap hebben Jacques De Visscher en Jean-Pierre Monsieur voor Alledaagse mijmeringen een selectie gemaakt.
In de posthuum uitgegeven Alledaagse mijmeringen, geschreven in de periode 1953–1956, verkent Cornelis Verhoeven langs gevarieerde wegen de alledaagse leefwereld. Het zijn dwalende, verkennende wegen die op zich staan, maar met verschillende overkoepelende thema’s.
Een van de thema’s die er voor mij uitspringt is dat van de symboliek van het lichaam. De neus, de rug, de maag, al zulke menselijke faculteiten hebben naast hun biologische functie een symbolische betekenis, die te vinden is in de (Nederlandse) taal: ‘ergens mee in de maag zitten’, ‘iemand de rug toekeren’, ‘ergens een neus voor hebben’; allen zijn spreekwoorden die ons lichaam van symboliek voorzien. Die symboliek komt vanuit te taal, maar wijst verder dan dat: het feit dat wij bijvoorbeeld heimwee en honger in onze maag lokaliseren is voor Verhoeven aanleiding om niet slechts het brein te zien als het enkele aanknopingspunt tussen ziel en lichaam, maar te pleiten voor een veelheid van contactpunten tussen beide. Verder is het snuffelen voor Verhoeven een hoogst intellectuele bezigheid en is het onze rug ‘die ons bestaan afsluit’ en daarmee volledig maakt.
De Alledaagse mijmeringen zijn geschreven tussen Verhoevens 25e en 28e levensjaar, en zijn als zodanig geschriften van een denker in wasdom. Dit maakt dat zijn redeneringen soms wat onduidelijk zijn (bv.: ‘Leegte is vrijheid zonder toekomst, toekomst is wat de leegte van de vrijheid vult door het onderwerp mogelijk te maken.’). Teglijkertijd maakt het de besproken onderwerpen en aanvliegroutes ernaar misschien wel juist concreter en origineler, omdat ze nog minder uitgaan en doorwrocht zijn van de filosofische traditie die hem voorging. Voor mij bieden de Mijmeringen bovenal echter een prachtig en tegelijk confronterend zicht op de leefwereld van iemand die een groot Nederlands denker zou gaan worden, toen hij nog van mijn leeftijd was.