Honderd jaar geleden publiceerde Paul van Ostaijen zijn meesterwerk Bezette stad, de grensverleggende dichtbundel waarin hij zijn ervaringen tijdens de Eerste Wereldoorlog in Antwerpen verwerkte. Bezette stad is een boek geboren uit een persoonlijke en maatschappelijke crisis. Maar Van Ostaijen wilde ook laten zien waartoe de moderne poëzie in staat was. Hij wilde er alles in samenbrengen: de destructie van de oorlog, de wilde montage van de film, de compositie van een kubistisch stadsbeeld, de scherts van dada, de klankrijke meerduidigheid van de expressionistische poëzie – en dit allemaal in één grootse, meeslepende vertelling. In Boem Paukeslag vertelt Matthijs de Ridder hoe Van Ostaijen ertoe kwam zijn kapotte tijd te vangen in het grootste literaire experiment dat de internationale avant-garde zou voortbrengen. Tegelijkertijd neemt hij de lezer mee op strooptocht door de verlaten straten, de ruïnes en het kolkende nachtleven van het bezette Antwerpen. Met veel gevoel voor historisch detail destilleert hij zo het verhaal uit de fragmentarische dichtbundel Bezette stad. Boem Paukeslag verschijnt parallel aan de tentoonstelling over 100 jaar Bezette stad die van 25 maart tot 25 juni loopt in het Antwerpse Letterenhuis.
The Flemish poet Paul van Ostaijen (1896-1928) was one of the most brilliant modernist poets in the Dutch language area. His most far-reaching work 'Bezette Stad'/Occupied City (published in 1921) is characterized by an enormous layering, an expressionist style and a revolutionary use of typography. Unfortunately, this evocation of what the First World War meant for his German-occupied home city of Antwerp has become virtually unintelligible. Happily, the book under review gives an almost line by line explanation, which finally makes the original come into its own. It underlines the deeply pessimistic view Van Ostaijen had on Western culture, and in that way it is an umptieth illustration of the devastating effect World War 1 had on the progressive optimism of the early 20th century.
It's not a coincidence Matthijs De Ridder chose "Boem Paukeslag" (in English: Boom! Timpani beat!!!) as the title of his study: this typically expressionistic exclamation is more or less situated in the middle of 'Bezette Stad', and is kind of a clarion call of the apocalypse. Perhaps this meticulously crafted book is more for the die-hard fans of van Ostaijen, but it sure makes one of the most remarkable books ever written in Dutch literature accessible again.
Voer voor ware van Ostaijen-liefhebbers. De Ridder verhaalt de ontstaansgeschiedenis van Bezette stad en hertaalt de hele bundel in deels essay, deels analyse, deels proza. Hij laat hierbij geen enkele verwijzing naar een begin twintigste eeuwse actrice of petit histoire onbesproken en legt haarfijn van Ostaijens idealistisch streven bloot naar een nieuwe samenleving, ontstaan op de ‘brakke grond’ die Europa was na de Eerste Wereldoorlog.
Dit boek bevat enerzijds een uitgebreide inleiding die het ontstaan van de bundel "Bezette stad" van van Ostaijen in tijd (exact honderd jaar geleden) en ruimte (het revolutionaire Berlijn van begin jaren 20 vorige eeuw) kadert. Daarnaast is het een enorm grote hulp bij het lezen van de bundel zelf. Van Ostaijen maakt in zijn verzen heel vaak gebruik van films en liedjes uit zijn tijd die voor de moderne lezer honderd jaar later een groot mysterie zijn. Matthijs de Ridder behandelt gedicht na gedicht en zorgt voor de broodnodige context en uitleg bij dit meesterwerk uit de Nederlandstalige canon.
Toen ik BOEM Paukeslag opensloeg, had ik het gevoel dat ik samen met Matthijs de Ridder op pad ging, door de straten van een Antwerpen die nooit helemaal stil is — zelfs honderd jaar later niet. De ondertitel “Op strooptocht door Paul van Ostaijens 'Bezette stad'” is niet overdreven: dit boek is een gids, een reconstructie én een interpretatie in één.
De kracht van De Ridder zit in hoe hij de fragmentele beelden uit Bezette stad — de verwoeste stad, de nacht, waan, nachtmuziek, volksleven — terug op de kaart brengt. Hij is geen afstandelijke commentator, maar een metgezel: hij achterhaalt brieven, historische footnotes, literaire allusies, en ook de momenten waarop Van Ostaijen misschien meer bedoelde dan hij zei.
Ik vond vooral indrukwekkend hoe De Ridder erin slaagt het poëtische experiment van Van Ostaijen te ontleden zonder te ontmantelen. Hij laat het mysterie behouden, maar plaatst het in zijn context — de Eerste Wereldoorlog, de moderne avant-garde, het nachtleven, de spanning tussen destructie en schepping.
Toch zijn er momenten waarop ik wat aarzelde. Soms voelde het alsof de interpretaties over elkaar heen vielen — want ja, je kunt eindeloos blijven duiden — en dan miste ik een iets hardere afbakening: waar stopt een interpretatie, en waar begint de poëzie zelf? De balans tussen tekst en context is vaak krachtig, maar in zo’n rijk boek soms ook weerbarstig.
Voor iemand die 'Bezette stad' al kent, biedt dit werk een verfrissende blik; voor wie het gedicht nauwelijks kent, kan deze “strooptocht” fungeren als een spannende introductie, al is het niet per se een lichte lectuur. Je moet geduldig zijn, bereid om te vertragen en soms terug te keren naar een passage.
Wat me het meest bijbleef? Dat ik nadien Van Ostaijens regels anders hoorde. De stad klopte opnieuw — als in een echo. En dat gevoel is zeldzaam in literair erfgoedonderzoek: een boek dat je niet enkel informeert, maar op een subtiele manier je zienswijze verandert.
Heel leuk om meegenomen te worden in de voor mij meest ondoordringbare bundel van Van Ostaijen. Ik zag veel dat voordien onzichtbaar bleef. En mn respect voor Van Ostaijen is zo mogelijk nog gegroeid.