Intelligent, kritisch en invoelend, zo manifesteert Eldar Balci zich als schrijver van “De gevangenisjaren”. In deze autobiografische roman behandelt hij, op soms humoristische, sarcastische, zo niet cynische toon, een onderwerp dat sinds om en nabij een halve eeuw in Nederland de nodige relevantie bezit. Ons land wordt hierin neergezet als, zo laat de tekst achterop het boek de potentiële lezer weten, ‘de poldergevangenis waar andere Turken de strengste cipiers zijn en het Nederlandse cultuurrelativisme de muren en het prikkeldraad’. Terwijl het gedurende de jaren dat hij in Turkije opgroeide voor Balci nog wel enigszins te doen was met de hem omringende islamitische cultuur, werd hij na zijn migratie naar ons land onverwacht geconfronteerd met de veel dwingender opvattingen en gewoonten van landgenoten die hem en zijn ouderlijk gezin voorgingen naar het ‘verlichte’, vrije Nederland.
Waar een en ander in de naaste omgeving van de ik-figuur Erdal in concreto zoal toe heeft geleid, wordt door de auteur nog eens dunnetjes overgedaan in een lugubere samenvatting op de bladzijden 253-254 van “De gevangenisjaren”. Eerder al in het boek heeft hij Nederland daarvoor medeverantwoordelijk gemaakt: “In een dagelijks ritueel van onverschilligheid voor de pijn, de ellende en het verdriet bij de ander, verpakt als respect en tolerantie voor alles wat afwijkend was, dobberde dit land voort” (p. 229). De auteur weet het allemaal gloed- en stijlvol te verwoorden, en toont bovendien aan te beschikken over een benijdenswaardige opmerkingsgave. Ter illustratie hiervan een aantal citaten:
“En zo gingen we naar de zoveelste bruiloft van een meid die een man uit Turkije had laten overkomen. Zij in opperste blijheid omdat ze aan de man was, hij smoorverliefd op de verblijfsvergunning” (p. 103);
“[Vader] gleed af naar een mijn waar mensen in plaats van kolen vreugdeloze dagen verzamelden” (p. 157, zelfs in zijn tamelijk kwistig gebruik van metaforen kan Balci meestal aardig uit de voeten);
“Hasan, die al een tijd geen bedoeïenendracht uit de zestiende eeuw meer droeg omdat de combinatie hoerenlopen en kleren van de Profeet dragen niet vol te houden was […]” (p. 163);
“Haar lijf, dat meer te lijden had van de dagelijkse fitness dan van de ouderdom […]” (p. 237).
Zo heeft Balci het ook over de ‘luiheid van de onwaarheid’ als een opstapje naar collectieve gekte (p. 69, hoe actueel kun je zijn) en over zijn alter ego Eldar, in diens hoedanigheid van stukjesschrijver voor dag- en andere bladen, als ‘een professionele allochtoon’ (p.245).
‘Stukjes’ van de columnist Eldar Balci worden lezers van de Volkskrant trouwens sinds enige tijd onthouden, hij is als zodanig aan de kant gezet door het dagblad dat zich er keer op keer op laat voorstaan een kwaliteitskrant te zijn. Tsja, ik vermoed eigenlijk dat stukken die ergens over gaan en ook nog eens prachtig zijn geformuleerd in genoemd dagblad in steeds sterkere mate plaats dienen te maken voor de onbenulligheid die onder de hoofdredacteuren Philippe Remarque en Pieter Klok zo’n hoge vlucht heeft kunnen nemen. Kritische en scherpzinnige journalisten als Marcia Luyten en Sheila Sitalsing mogen wel oppassen, hun dagen als Volkskrant-columnist zouden binnenkort wel eens geteld kunnen blijken te zijn. Hun vroegere collega Eldar Balci, om met Hans Teeuwen te spreken: dat dan weer wel, zit nu wat ruimer in zijn tijd om mooie boeken te schrijven.