De coronatijd is voor velen een ingrijpende tijd. Huiveringwekkende beelden uit Noord-Italië waar de corona hard toesloeg. Een tijd van spanning en zorg over de verspreiding van het virus. Ook in onze eigen omgeving kregen wij volop te maken met dit virus en de gevolgen ervan: verschillende plaatsen op de Noord-Veluwe die getroffen werden. Zijn er dan woorden en rituelen die kunnen helpen, die houvast kunnen geven, die kunnen verwoorden wat er gebeurt? Volgens Rebekah Eklund, docent Schrift, theologie en ethiek aan de Loyola University Maryland in Baltimore, is het goed om het klagen zoals dat in de Bijbel voorkomt ook in praktijk te brengen. Toen ze in de coronatijd door de lockdown thuis moest werken, schreef ze het boekje: Practicing Lament.
Lamenteren, klagen heeft bij ons geen positieve betekenis. Klagen heeft iets van zeuren, de aandacht trekken. Een uitspraak die ik vaak hoor is: ‘Niet klagen maar dragen’ – soms aangevuld met: ‘en bidden om kracht’. In de Bijbel krijgt het klagen wel alle ruimte. In het Oude Testament bijvoorbeeld in de Psalmen, in Job, in Jeremia. Ook in het Nieuwe Testament komt de klacht voor. Eklund promoveerde op de klagende Jezus. Het klagen dat zo veelvuldig in de bijbel voorkomt, is volgens haar een essentieel onderdeel van het christelijke leven. Een klacht is een roep uit de nood om hulp. Zo’n roep om hulp is meestal niet eenmalig. Steeds wordt tot God geroepen, omdat Hij beloofd heeft om er te helpen en te redden. De klacht kan in heftige taal geuit worden. In een klacht kunnen verwijten aan God gemaakt worden. In ieder geval wordt er een stevig appèl gedaan op God, zodat Hij wel moet ingrijpen. Dat God kan ingrijpen, wordt wel geloofd. Dat is de basis voor de klacht. Als er iemand is die kan ingrijpen, is dat God. Hij blijft echter uit en daarom wordt de situatie steeds hopelozer. Vanuit de hopeloosheid klinkt de roep tot God. Een klacht is vaak geen gepolijst gebed. Er worden heftige beelden gebruikt om God te laten weten wat er aan de hand is. In een klacht wordt geworsteld met God. In een klacht wordt zo lang bij God op de deur geklopt dat Hij wel moet ingrijpen.
Rebekah Eklund
Wie de klachten in de Bijbel met elkaar vergelijkt, ziet dat er onderdelen overeenstemmen. Niet dat elke klacht al deze onderdelen heeft. Alleen een klaagpsalm als Psalm 13 heeft alle onderdelen. Een klacht begint met het aanroepen van Gods naam. In dat aanroepen wordt de weg tot God gezocht. Het zwijgen wordt doorbroken. Dat is al bijzonder, want wanneer iemand in een diepe crisis zit, wordt de weg naar God niet zomaar gevonden. Als er dan al woorden zijn, kan er eerder over God geklaagd worden dan tot God geroepen.
Bij het aanroepen van God wordt ook Zijn naam gebruikt: Heer. Die naam betekent: Ik sta voor je klaar. Ik kom voor je op. God kan ook aangesproken worden met een uitgebreidere naam: Heer van de hemelse legers. God kan in beelden worden aangesproken: mijn Burcht, mijn Rots. Nadat God is aangeroepen, wordt de klacht verwoord: God is afwezig. Hij laat niets van zich merken. God is afwezig. God is onverschillig. God is er niet.
Die ervaring is huiveringwekkend. In de klachten is dat ook de diepste pijn, de grootste nood die er is: God die er niet is, God die zich onverschillig toont. Door dit onder woorden te brengen overbrugt de klacht de afstand tussen de waarheid dat God ons nooit verlaat en de aangrijpende ervaring dat we ons door God verlaten voelen. Toch is de klacht geen ongeloof of wanhoop, hoe scherp de klacht ook verwoord kan worden. Omdat de klacht tot God is gericht is het een gebed. Al is het met gebalde vuisten, de bidder wendt zich niet van God af, maar zoekt om door God gehoord te worden.
Daarom klinkt er in een klaaggebed vaak ook een appèl op God: een appèl om te komen, om er te zijn, om te redden. Het kan al genoeg zijn dat God hoort: hoor mijn roepen! Niet zelden gaat een klacht gepaard met een uitspraak van vertrouwen: God heeft zich in het verleden laten zien. Hij kan zich ook nu tonen. Soms kan in een klaagpsalm de beweging zelf al gemaakt worden en de ervaring verwoord worden dat God geluisterd heeft. Hij heeft het zwijgen doorbroken. Hij heeft geantwoord.
Die ervaring is er niet in elke klacht. In Psalm 88 lijkt de hoop ver weg. Een donkere psalm met nauwelijks een sprankje hoop. Eklund is dankbaar dat deze psalm in de Bijbel staat. Het is juist bemoedigend dat ook zo’n donkere psalm opgenomen is. Bijzonder is ook dat deze psalm is omringd door de vreugde over Jeruzalem in Psalm 87 en Gods altijddurende trouw in Psalm 89.
Veel klachten in de Bijbel verwoorden berouw of protest. Bij berouw ziet de klager de eigen fouten die ten grondslag liggen aan de nood. Bij protest is het anders: de wereld is niet zoals die hoort te zijn. De spirituals van de Afro-Amerikaanse gemeenschap zijn zulke klaagliederen waar protest in doorklinkt. De meest stevige klachten waarin geprotesteerd worden, zijn de wraakpsalmen waarin de vloek over de vijanden wordt uitgesproken. In heftige taal brengen deze liederen de onrecht die beleefd wordt bij God: deze wereld hoort anders te zijn. Kan God er niet voor zorgen dat er wel een rechtvaardige wereld komt?
Door te klagen wordt het zwijgen doorbroken, het leed en de onrecht benoemd en bij God gebracht. Het is een uiting van kwetsbaarheid en het zoeken naar solidariteit van medemensen en naar hulp van God. Terecht zegt Eklund dat de klacht onmisbaar onderdeel van het christelijk leven is. Als we de klacht achterwege laten, doen we onszelf, de wereld waarin wij leven en God tekort.