Een Amsterdamse neurologe, Maja, Krijgt een raadselachtige patiënt. Het is een Amerikaan, die in het vliegtuig in slaap is gevallen en niet wakker wordt. En dat terwijl zijn hersenactiviteit groot is. De roman beschrijft haar zoektocht naar de oorzaak en daarmee mogelijke aanpak van deze mysterieuze slaap.
Parallel hieraan gaan we met de Amerikaan wetenschapper Neil Canterbury, de patiënt, op reis van New York naar het Indiase Varanasi, waar hij een congres zal bijwonen. Hij doet onderzoek naar het geheugen. En kom je erachter hoe hij aan het eind van zijn reis slapend in het vliegtuig zit. En niet meer wakker wordt.
Tot slot zijn er tussenstukjes over het leven en sterven van een Indiase dichter en wever, Kabir.
Het boek kent een stijgende lijn, wat mij betreft. Waar in het begin een paar gênant slecht beschreven ontmoetingen van Neil mooie vrouwen mij deden grijpen naar een teiltje:
“Ze draait zich geschrokken om, brengt een zakdoek naar haar gezicht, snuit haar neus en haalt haar hand door haar haar. Hoewel het donker is, kan hij zien dat ze een goed figuur heeft.
Ze doet een stap in zijn richting en glimlacht.
‘Goedenavond’, zegt ze. Ze klinkt Californisch, misschien Oregon. Terwijl ze dichterbij komt, ziet Neil dat ze heel aantrekkelijk is.”
Dan wil je een boek toch gewoon wegleggen??? Gelukkig gaat daarna de pen een andere kant op en volgen spanning in zowel de verhalen van Maja als Neil en de poëtisch beschreven delen over Kabir maken het rond.
Daarom: drie sterren