Het eerste boek(je) van Louis Paul Boon dat ik las was “Mijn kleine oorlog”. De cynische soms harde stijl van schrijven en Boons’ sympathie voor “den werkmensch” maakten me onmiddellijk een fan.
Een aantal weken geleden “Niets gaat te onder” meegenomen uit de bib. Het was een tweede keus want eigenlijk wou ik de nieuwe van Brusselmans uitlenen. “Niets gaat ten onder” is achteraf een hele goede tweede keus gebleken.
Waarom is dit een goed boek volgens mij?
Ten eerste: het verhaal.
Kort samengevat volgen we de belevenissen van Frans Ghoedels. Ghoedels wordt als leerling ingeschreven in de valschool “Constructa”. Hij begint er als leerling en zal uiteindelijk eindigen als onderdirecteur van diezelfde school. Hoe verder het verhaal zich ontwikkelt, hoe verder Ghoedels wordt gemanipuleerd en bedreigd door zijn omgeving: eerst door zijn vader en een leerkracht. Dan door zijn vrouw en een aantal “femmes fatales” die hem eigenlijk langzaam maar zeker tot waanzin drijven.
Voor wie het werk en de stijl van Boontje wat kent, is “Niets gaat ten onder” een typisch voorbeeld van de thema’s die de schrijver bezighouden: het individu dat verloren loopt in de massamaatschappij, het grote menselijke tekort, het openlijk (en zeker voor die tijd, jaren ’50, taboeloos) beschrijven van allerlei “foute” en “decadente “ zaken zoals homofilie, relaties tussen priesters en jongemannen, prostitutie, vastzitten in een liefdeloos huwelijk, masturbatie, etc.
Wat ik dan ook geweldig vind is de manier waarop Boon de mentale ondergang van Ghoedels omgekeerd evenredig laat verlopen met de groei van de school: m.a.w. hoe beter het met de school gaat, hoe gekker en eigenlijk psychotischer Ghoedels wordt.
Ruimer gezien kan men ook stellen: hoe moderner en groter en “beschaafder” de maatschappij wordt, hoe meer mensen op zichzelf worden teruggeworpen en vereenzamen. En in sommige gevallen loopt het dan geweldig fout af, zoals met Ghoedels.
Tot slot heeft Boon in dit verhaal ook heel goed weergegeven hoe mensen in de realiteit (is het nu in een school of in een bedrijf) elkaar voortdurend het gras voor de voeten willen wegmaaien en elkaar zwartmaken en hoe vrouwen erin slagen om hetzij via hun sexappeal, hetzij via koude psychologische manipulatie mannen te kunnen breken als een eierschaal.
Kortom: je kan dit boek evengoed beschrijven als een film noir op papier. Of als een allegorie op de naoorlogse maatschappij van de jaren ’50 waar het onderwijs, het huwelijk, de vooruitgang elke twijfel moesten wegnemen en ieders’ leven zin moesten en zouden geven.
Ten tweede: het verhaal achter het boek.
Dit boek komt uit de reeks “verzameld werk” Het leuke aan deze reeks is dat er na het verhaal an sich steeds een dossier volgt met achtergrondinformatie over de ideeën die Boon ertoe brachten het boek te schrijven.
Wat blijkt: de vakschool “Constructa” staat op 100 meter van mijn eigen deur. Want … de school in het boek is eigenlijk gebaseerd op het huidige VTI (voordien bekend als het St. Jozefscollege) Wat verder in het dossier ontdekken we dan een foto van een 12-jarige “Lodewijk Boon” (Louis was te Franstalig voor de Vlaamsgezinde preister-directeur) die daar in 1926 een opleiding tot bankwerker volgde. Je krijgt zelfs een ingescande foto van zijn rapport te zien. Na een aantal jaar werd Boon echter geschorst omdat hij boeken had meegebracht naar school die niet waren toegelaten door de kerk.
Allemaal heel leuk en het maakt het boek direct ook een pak menselijker want je krijgt als het ware inzage in de levenservaringen van de schrijver.
De ervaringen van de schooljongen Frans Ghoedels zijn dus gebaseerd op Boons’ eigen periode als leerling op het St. Jozefscollege.
Ten derde: de taal in het boek.
Boon maakt, zelfs nog meer dan in de Kappelekensbaan gebruik van een hel slordige, door-en door Vlaamse taal. Dat maakt hem, vergeleken met andere auteurs die in die periode opgang begonnen maken, zoals bv Hubert Lampo, een buitenbeentje. Het is onduidelijk of Boon opzettelijk dit “Vlaams” gebruikte of dat hij gewoon niet in staat was in een andere taal te schrijven. Het geeft wel een aparte leeservaring en kan ergens ook worden gezien als een stijlbreuk met “deftiger” auteurs zoals Lampo.