Het Huis van Oranje is de uitverkoren familie die, uitsluitend op grond van geboorte, de bijzondere plaats krijgt toebedeeld die het in het Nederlandse bestel inneemt. Zo is het in onze Grondwet geregeld.
In dit boek onderzoekt historicus Gerard Aalders de wijdverbreide adoratie voor onze koningen: Willem I, II en III, onze koninginnen (Wilhelmina, Juliana en Beatrix) en tenslotte Willem-Alexander. Ook de echtgenoten en echtgenotes van ons staatshoofd krijgen de nodige aandacht. Want zonder partner geen kroonopvolger en dat kan het einde van de monarchie betekenen: de nachtmerrie van iedere dynastie.
Waarom is ons koningshuis zo populair? Niet alleen in Nederland, maar ook daarbuiten. Waarom genieten de Oranjes de status van popsterren? Waaraan hebben ze die verering verdiend? Ligt het aan hun prestaties? Hun capaciteiten?
Tot dusver is er nooit een Oranje geweest die de troon weigerde. Het koningschap wordt immers riant betaald en de secundaire arbeidsvoorwaarden zijn benijdenswaardig: gratis wonen en reizen, veel vakantie, een belastingvrije uitkering en vrijstelling van erfbelasting.
Aalders vraagt zich af welke redenen er zijn om de monarchie te continueren. Strikt gemeten naar haar verdiensten voor ons land en ontdaan van alle franje. Hij duikt daarvoor in de roerige geschiedenis van ons koningshuis, doet bijzondere ontdekkingen en komt tot opvallende conclusies. Het blijkt een verbazingwekkende en ontnuchterende werkelijkheid.
‘Juist uit de erfelijkheid van de koningsfunctie blijkt de volstrekte onbelangrijkheid: het doet er niet toe wie koning is, laten we dus afspreken het oudste kind van de vorige koning te nemen.’ – Hugo Brandt Corstius
Aalders voltooide twee studies aan de Universiteit van Amsterdam (geschiedenis en scandinavistiek) en promoveerde in 1989 op Swedish neutrality and the Cold War, waarin hij beschrijft waarom Zweden zich – in tegenstelling tot zijn Scandinavische buurlanden – niet bij de NAVO aansloot. Hij werkte van 1993 tot 2011 als onderzoeker bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD). Hij schreef in die tijd een trilogie over de nazi-roof op Nederland (Roof, Berooid en Eksters), en verder boeken en artikelen over inlichtingen- en veiligheidsdiensten, geheime economische collaboratie, de Bilderbergconferenties, kartels, Koude Oorlog, WikiLeaks en enkele monografieën over Prins Bernhard. Aalders staat bekend als een fervent criticus van de prins. Als overtuigd republikein levert hij regelmatig kritiek op de monarchie.
Oranje Zwartboek kwam eigenlijk puur bij mij op op te lezen nu het Koningsdag was deze week. Hij stond wel op mijn lijstje, maar ik had wisselende verhalen gehoord. Ik vind het vanuit historisch oogpunt interessant om dit soort boeken te lezen en wat dat betreft was het ook zeker interessant, want diverse zaken die jaren onbelicht zijn gebleven kwamen in dit boek aan bod. Wel waren dit allemaal zaken waarbij stevig kritiek geleverd wordt op het koningshuis en de koninklijke familie. En dat mag, want we betalen er allemaal voor en het is zeker goed om heel kritisch te kijken naar dit toch wat oubollig instituut. Wat me echter meer en meer opviel tijdens het lezen was dat het op een vooringenomen manier geschreven is. Sommige dingen komen voort uit persoonlijke afgunst van de auteur en worden, met bepaald taalgebruik, aangedikt. het feit dat wapenfeiten en positieve zaken ontbreken maakt dat elk besproken persoon als een verschrikkelijk figuur wordt neergezet. Als voorbeeld komt Wilhelmina er zeer slecht vanaf en lijkt ze haast een monster. Bernhard was fout, maar daar lijkt iedereen het wel over eens te zijn, maar ook Beatrix wordt neergezet als een naargeestig persoon. En hoe verder ik kwam in dit boek, hoe het voelde dat als je deze manier van schrijven voor ieder willekeurig persoon zou hanteren, dan komt niemand er goed vanaf. Zelfs Moeder Theresa zou eindigen als een verschrikkelijk mens. En dat haalt het menselijke uit de personen. Dat haalt nuance uit het verhaal en, in mijn ogen, schiet de auteur zich hiermee in zijn eigen voet, want het haalt de kracht uit zijn verhaal. En bij vlagen had ik ook echt het gevoel dat, als je dan echt zo'n hekel hebt aan deze mensen, waarom schrijf je er dan over? het voelt haast alsof ze Gerard Aalders persoonlijk hebben aangevallen. Ik vind het jammer dat deze relativering er niet in zit, dat het doel daarmee gemist is van dit boek en dat het dus eigenlijk een opsomming is geworden van zaken die slechts van één kant belicht worden. Gemiste kans wat mij betreft.
Interessant. De Oranjes komen er niet al te best vanaf. Na het boek te hebben gelezen is mijn conclusie dat het allemaal wel een tandje minder kan. Een republiek is echt geen slecht idee en veel goedkoper. De auteur heeft aangegeven dat hij alleen zaken in het boek heeft opgenomen waarvoor ook bewijs is gevonden. Het is een zeer leesbaar boek. Reden voor drie ipv vier sterren komt doordat de mening van de auteur er vanaf bladzijde 1 dik bovenop ligt. Hij is geen vriend van Het koningshuis.
Het Huis van Oranje-Nassau is een anachronistisch sprookje. Als ik orangist zou zijn zou het boek mij echter niet overtuigen. Het boek komt niet met nieuwe inzichten en noemt slechts het reeds bekende. Verder vind ik de toon van het boek niet passen bij een historicus. De toon is activistisch en tamelijk speculatief. Ook qua stijl veel vervelende herhalingen.
Oranje Zwartboek zet uiteen waarom de monarchie een achterhaald instituut is. Een belangrijk en in Nederland te weinig verteld verhaal. Dat de schrijver op dit vlak ook een eigen mening heeft komt me iets te duidelijk naar voren. In verwoording en aannames schiet het helaas soms uit de bocht. Onnodig en het doet afbreuk aan het verhaal. Daarom 2,5 ster.
Mensen die mij iets beter kennen of ook wel eens tussen de regels lezen, weten dat ik geen bijzonder hoge pet op heb van belgië. Niet omdat het land slecht geleid wordt (dat is al vele jaren zo, maar dat geldt ook voor andere landen), niet omdat er van alles mis mee is (ook dat is al vele jaren zo en ook dat geldt voor andere landen), maar omdat het een historische fout is, een geografische miskleun, het knutselwerk van een blinde randdebiel, en omdat het geen enkele zin heeft het koetswerk op te blinken als het chassis met kauwgum aan mekaar geplakt is.
Ik geloof ook niet dat je die fout oplost door ze in stukken op te delen en vervolgens met die stukken, maar nog steeds à la belge, aan de slag te gaan. Als er iets is wat Vlaamse politici immers al jaren bewijzen, is het wel dat ze hoogstens van hetzelfde niveau zijn als hun Waalse evenknieën. Over “Brussel” heb ik het niet eens: dat is een historische fout binnen de historische fout, een geografische miskleun binnen de geografische miskleun, het knutselwerk van een blinde randdebiel opgeleid door een andere blinde randdebiel. Over de Oostkantons evenmin: da’s kabouterland, met duur betaalde grote smurfen, en politiek gezien het meest belgische wat er is. Ieder “parlementslid” in het Duitstalig gedeelte van belgië weet dat het in Duitsland, waar de enige alternatieve toekomst voor dit gebied ligt, niet verder dan een of andere gemeenteraad zou komen, en heeft er dan ook alle belang bij niet al te veel tegen Waalse schenen aan te schoppen en rustig verder aan de geldpijp van de Rat der Deutschsprachigen Gemeinschaft te lurken. Ik heb bijzonder veel sympathie voor de inwoners van de Oostkantons, maar 25 “volksvertegenwoordigers” voor 78.000 inwoners is méér dan van de pot gerukt.
Vind ik dan dat we het met spuug aan mekaar hangende zaakje dan maar willens nillens moeten behouden? Uiteraard niet. Eerstens ben ik met de jaren meer en meer teruggekeerd naar de inzichten die ik als jongeman al had – ik ben een staatkundige anarchist, het subsidiariteitsbeginsel is interessant maar werkt de verkeerde richting uit –, tweedens is er natuurlijk (en dan leg ik de nadruk op het deel “natuur” in dat woord) ook nog een mogelijkheid naast voorthobbelen mét de belze constructie en voorthobbelen áls de belze constructie: de Nederlanden. Nederland heet niet voor niets in het Engels nog steeds The Netherlands, meervoud dus en in die meervoudigheid, in de diversiteit maar toch gebondenheid van de Nederlanden, zit voor mij – ook als staatkundig anarchist – dan ook de toekomst. Dit is niet echt de plaats om daar dieper op in te gaan, maar ik ben dus in hart en ziel een Nederlander. Geen Groot-Nederlander, geen Heel-Nederlander, gewoon een Nederlander, een inwoner van de Nederlanden wiens voorouders van vele generaties ver ook inwoners van de Nederlanden waren. Dat er een grens ligt tussen Clinge en De Klinge stoort mij méér dan dat er geen grens ligt tussen Herne en Edingen … zélfs al steek ik dan die grens over om aan gene zijde dingen te kunnen doen die ik hier niet kan (in deze tijden bijvoorbeeld mondmaskerloos winkelen) of steken er omgekeerd mensen de grens over om aan deze zijde dingen te doen die daar niet kunnen (niet helemáál blut terugkeren van de benzinepomp, bijvoorbeeld).
Ik neem dan ook persoonlijk maar één ding kwalijk aan de familie waarover Oranje zwartboek – De ontluisterende geschiedenis van onze koninklijke familie handelt: dat ze zich tot twee keer toe het zuiden heeft laten afnemen. Eigenaardig genoeg is dat echter net een van de weinige dingen die auteur Gerard Aalders de Oranjes niét kwalijk neemt. Maar dat compenseert hij ruimschoots door ze voor de rest zo ongeveer álles ten kwade te duiden: regeren en niet regeren, een handtekening zetten en geen handtekening zetten, geld uitgeven en geen geld uitgeven, achter de vrouwen aanlopen en achter de mannen aanlopen, niks van economie afweten en er veel van afweten, Duitser zijn en geen Duitser zijn, weglopen en blijven zitten, tot een bepaalde familie behoren en niét tot die bepaalde familie behoren …
Wat de leden van het Nederlandse koningshuis ook doen of laten, voor Aalders is het duidelijk nooit goed. Omdat hij werkelijk tegen álles is? Uiteraard niet. Hij zet simpelweg alles wat het Nederlandse koningshuis aangaat aan de negatieve kant van de balans omdat hij van oordeel is dat dat koningshuis geen plaats heeft in het staatsbestel. En daar heeft ie gelijk in: het Nederlandse koningshuis heeft geen plaats in een democratisch staatsbestel. Maar dat geldt voor álle koningshuizen, en ook voor álle partijpolitici, voor mediaconcentraties, voor lobbyorganisaties en zelfs voor ons, gewone luitjes. En dáár heeft Aalders het niet over: hij heeft het over bepaalde “daden” van andere koningshuizen als ze “positief” afsteken tegenover “daden” of gebrek aan daden van het Nederlandse; hij heeft het over partijpolitici als het koningshuis dienend of datzelfde koningshuis stokken in de wielen stekend; hij heeft het over de pers als de roeptoeter van het koningshuis of als die van de republikeinen; hij heeft het over lobbyorganisaties als verstrekkers van hand-en-spandiensten aan het koningshuis; en hij heeft het over gewone luitjes als de willoze slachtoffers van die partijpolitici, die pers, die lobbyorganisaties en hun eigen dommigheid in het algemeen. Zelden een auteur gelezen met méér last van tunnelvisie dan deze. Zelden ook een auteur gelezen die van in de eerste bladzijden van zijn boek vaststelt dat een (bad pun intended) boekje open doen over het gekozen onderwerp volkomen zinloos is en dat dan tóch doet en wel zo’n 370 bladzijden lang …
Zelf ben ik van oordeel dat koningen, keizers, verlichte dictators, dat soort lieden op zekere momenten in de geschiedenis (verleden of toekomst) en op zekere plaatsen in de ruimte die Aarde heet hun nut hadden of nog kunnen hebben. Ik voeg daar aan toe dat ik zulks niét vindt van het huidige Nederlandse koningshuis, van de dito belze poppenkast, van Kim Jong Un, van Joe Biden, van Alexander De Croo, enzovoort. Maar ik weet ook dat, of dat soort lieden nu tijdelijk hun nut hebben of niet, ze altijd zakken geld kosten, kampen met een overdadig libido, er alles aan zullen doen om zich heilig te laten verklaren (en altijd mensen zullen vinden om ze daarbij te helpen), én … op langere termijn sowieso onnuttig zijn. En ik ben er van overtuigd dat de mééste mensen dat weten. Alleen kiézen ze bij “gevoelig” liggende onderwerpen als koningshuizen door de band genomen voor het uitschakelen van minstens een deel van hun ratio, waardoor dit soort boeken volkomen nutteloos worden. Wie al aan de kant van de auteur stond vóór hij het boek las, staat daar ongetwijfeld nog steeds ná het lezen van het boek. Wie niét aan de kant van de auteur staat, zal niet eens dat boek ter hand nemen. Zelfs als de auteur niks nieuws te vertellen heeft.
Ik heb me, kortom, redelijk hard geërgerd aan dit boek en ga hier niet al te veel woorden vuil maken aan details eruit. Niet omdat ik niet hier en daar wat gelezen heb dat ik nog niet wist over de stadhouders Willem de Zwijger, Maurits van Oranje, Willem II tot en met V, en vervolgens de koningen en koninginnen Willem I tot en met III, Wilhelmina, Juliana, Beatrix en Willem-Alexander, maar omdat het naar mijn aanvoelen geen nut heeft daarover uit te wijden. Ik twijfel er niet aan dat wie wat meer wil leren over de Nederlandse geschiedenis een en ander kan opsteken uit dit boek, maar er zijn allicht ook minder eenzijdige bronnen te vinden.
Ja, ik zou het kunnen hebben over de doodgelopen bloedlijn, over de overgang van stadshouderschap naar koningschap, over de landing op het strand van Scheveningen (waarvan de zogezegde landing van Leopold I op het strand van De Panne een doorslagje was), over het langdurige (en achteraf gezien absoluut zinloze) touwtrekken tussen regering en parlement enerzijds en koningen anderzijds, over het gepingel en gesjacher, over het vermengen van eigenbelang en staatsbelang (wat voor een liberaal toch sowieso hetzelfde is), over de omgangsvormen in de kolonies, over de minnaressen en buitenechtelijke kinderen, over de charmeoffensieven, over het verzamelen en verkwanselen van kunstwerken, over een pers die steeds weer héél erg koopbaar blijkt, over chantage en rechtszaken, over de politieke sympathieën en de zaken van prins Bernhard, over de capaciteiten van Willem-Alexander als watermanager en wc-potwerper, over Máxima en minima, over de Piet Hein, over de olijfboomgaard van Trix, over totaal uit de hand lopende en heel erg over departementen verspreide begrotingen, over belastingconstructies … maar ik laat het liever aan u over of u zich daar in wil verdiepen en daartoe dit boek wil lezen.
Ik eindig deze boekbespreking graag met een aantal losse opmerkingen.
Ten eerste: het gebruik van kadertjes met daarin teksten als (hoofdletters inbegrepen) “Paleispersoneel klapte uit de school over seksuele escapades WILLEM II” is wel héél erg goedkoop inspelen op de sensatiezucht van de lezers.
Ten tweede: een uitspraak als “Het is met goede reden dat gekozen staatshoofden in onze tijd maar een beperkt aantal jaren mogen aanblijven. De kans op vriendjespolitiek en gevoeligheid voor zowel het verlenen van gunsten als voor omkoopbaarheid door eigen daden (of die van nauw betrokkenen) neemt in de loop der jaren alleen maar toe.” is toch wel bijzonder naïef. De kans dat je het tot gekozen staatshoofd schopt zónder “vriendjespolitiek en gevoeligheid voor zowel het verlenen van gunsten als voor omkoopbaarheid door eigen daden” is namelijk nihil. Gekozen staatshoofden zijn zelfs al rot voor ze hun rotte stiel beginnen uit te oefenen, wat bij een monarch niet noodzakelijk het geval is.
Ten derde: een “royal” heeft objectief gezien meer redenen om een scheve schaats te rijden dan een ander staatshoofd. Zijn/haar huwelijk is namelijk vooral een kwestie van staatsraison. Dat kan niet gezegd worden van gekozen staatshoofden (waarvan er, als je “verkiezingen” door een parlement en andere “verkozenen” niet meerekent, eigenlijk sowieso weinig zijn), terwijl die er door de band genomen verre van een zediger moraal op nahouden.
Ten vierde: ja, koningen en tutti quanti zijn meestal veel leper dan ze intelligent zijn en die lepigheid blijkt meestal ook veel makkelijker geërfd te worden dan eventuele intelligentie, maar dat is niet anders bij politici en ook die lijken maar al te vaak hun vader, moeder of andere familieleden op te volgen. Ik ken de Nederlandse politiek niet zo goed wat dat betreft, maar wie even gaat rondsnuffelen in de belze politiek weet dat er eerder sprake is van een aristocratie dan van een meritocratie.
Ten vijfde: ja, Wilhelmina heeft de Tweede Wereldoorlog vooral met haar mond gevochten en deed in Londen niet veel meer dan praatjes verkopen voor de radio. Maar dat was niet meer en niet minder dan wat een de Gaulle deed voor Frankrijk en voor zover ik weet zelfs meer dan pakweg de “gekozen” belze regering. Machthebbers, al dan niet would be, hebben niet de neiging ter plaatse te blijven als ze riskeren er hun hachje bij in te schieten. En machthebbers halen ook liever een ander over de wapens ter hand te nemen dan daar zelf een handje bij toe te steken.
Ten zesde … er zaten – eerlijk is eerlijk – ook leuke anekdotes in het boek. Bijvoorbeeld die waarin Wilhelmina in een gesprek met A. den Doolaard het heeft over een uitgever die het lef gehad heeft een aantal verzen uit het Geuzenliedboek te vertalen naar het Duits, “de taal van die man”, “waarmee ze natuurlijk Adolf Hitler bedoelde”. Waarop A. den Doolaard antwoordde dat het Duits niet alleen de taal van Hitler “maar ook van Goethe en Schiller, Kant en Schopenhauer, Hölderlin en Kleist” was. Een opsomming die hij afbrak, “want ik zag in haar ogen dat die laatste namen haar niets zeiden”. Leuk omdat het bevestigt dat koningen en koninginnen niet zo heel erg belezen zijn. Maar laat ons wel wezen, hoeveel werken van Goethe, Schiller, Kant, Schopenhauer, Hölderlin of Kleist zou Gerard Aalders gelezen hebben? Hoeveel heeft u er gelezen? Hoeveel heb ik er gelezen? In het Duits dan nog? Ik durf u wat mezelf betreft antwoorden dat ik met uitzondering van een aantal gedichten van Goethe niks van de heren in kwestie in het Duits gelezen heb en dat ik ook met de werken van Kant en Schopenhauer slechts beperkt, en in het Nederlands, bekend ben. Wellicht had ik bij die opsomming van A. den Doolaard dus niet intelligenter gekeken dan Wilhelmina ...
Hoe dan ook, dat maakt allemaal niets uit: “de verering en aanhankelijkheid bleven onverminderd groot. Het gros van de bevolking kijkt ‘hoe ze het doen’. Als ze het ‘goed doen’, bedoelt men te zeggen dat de koning een goede indruk maakt. Meer is niet nodig en meer verlangt de aanhang ook niet. De mythevorming rond het Koninklijk Huis heeft nooit iets met de werkelijkheid van doen gehad. De aanhang van Oranje is blind voor feiten, maar staat open voor sprookjes”, aldus de auteur in zijn Conclusie.
Koekendozenromantiek, zoals ze dat vroeger noemden, maar zelfs als die romantiek grotendeels voorbij is, worden er nog Story’s en dergelijke meer mee gevuld. Geen serieuze journalistiek, geen ernstig werk, maar net zoals dit Oranje zwartboek – De ontluisterende geschiedenis van onze koninklijke familie zonde van het papier. Ik begrijp dat schrijven over de verfoeide koninklijke familie een interessante bijverdienste vormt voor Gerard Aalders (die behalve dit boek over diezelfde familie ook al Het instituut, Bernhard – Alles was anders, Wilhelmina – Mythe, fictie en werkelijkheid, en nog een vijftal andere werken schreef), maar daarmee is dan ook het belangrijkste over dit boek gezegd.
Bij tijd en wijle zeer vermakelijke opsomming (vooral over Willem III, ook wel Koning Gorilla genoemd) van alles wat niet deugt aan de Oranjes. Maar even zo vaak zuur, gespeend van alle humor en hier en daar vrouwonvriendelijk (vooral bij Wilhelmina). Het frame is duidelijk. Alles wat daar niet in past krijgt geen plek, of wordt ondergeschikt aan het frame gemaakt. Daar valt veel op af te dingen. Zo krijgt Bernhard heel veel aandacht omdat hij er nogal een potje van maakte. Aan prins Claus wordt bijna geen aandacht besteed. En de politionele acties worden terecht als koloniaal bestempeld, maar die kun je alleen begrijpen vanuit het Nederlandse perspectief dat de Indonesische bevrijders met de Japanners hadden geheuld. Het boek is ook een beetje rommelig. Veel herhalingen en geheel onlogische sprongen in het verhaal. De analyse waarom ondanks alles we in Nederland erg hangen aan de monarchie is flinterdun. Het zou interessanter zijn geweest als hij een historische en culturele analyse had gedaan naar waar en waarom monarchieën zijn verdwenen en waar ze door aanpassing stand hebben gehouden. Toch heb ik vaak moeten grinniken om de onhebbelijkheden, maar dat was vast niet de bedoeling van de auteur.
Dit boek heeft echt aan het denken gezet. Misstanden worden bedekt, kosten worden gecamoufleerd. Die enorme geldzucht en verrijking. Nederlands erfgoed wordt verkocht aan buitenlandse investeerders. Als het maar veel geld oplevert. Ik heb meer waardering voor bijvoorbeeld het Noorse koningshuis. Dat staat veel dichter bij de bevolking en leven veel bescheidener, hun apanage is vele malen lager. Het zijn hele gewone nuchtere mensen. Kroonprins Haakon zei "Ik wil alleen koning worden als het volk dat echt wenst'. Vrijheid van meningsuiting staat hier heel hoog in aanzien, ook als het gaat over het koningshuis.
Fijn boos boek. Soms met een hooivork geschreven maar ondanks dat wel erg leesbaar. Bepaald geen wetenschappelijk betoog, bevooroordeeld en soms kwaadaardig. Maar heerlijk to the point: weg met die uitvreters.
Terugkerend probleem met Aalders' boeken: gruwelijk lelijke vormgeving. Is er geen beschaafde uitgever die dit beter wil doen?
Je kunt wel zeggen dat Gerard Aalders gefascineerd is door het koningshuis. Eerder schreef hij boeken, die de nodige stof deden opwaaien, over onder meer koningin Wilhelmina en prins Bernhard. In Oranje Zwartboek richt Aalders zich op het ontstaan van ons koningshuis, maar vooral naar hoe het mogelijk is dat het vandaag de dag nog steeds bestaat. En eerlijk gezegd stel ik mezelf na het lezen van dit boek dezelfde vraag…
De Oranjedynastie begon bij Willem de Zwijger die, naarmate de jaren verstreken, een steeds edeler status kreeg toegeschreven, al was dat nergens op gebaseerd. Ook zijn opvolgers Willem II en Willem III waren geen mythische helden; desondanks is er in Nederland een bepaalde verering ontstaan ten opzichte van ons koningshuis, met als gevolg dat er over dit instituut geen kwaad woord vermeld mag worden. Dat Aalders zich hier niets van aantrekt, blijkt uit het onthullende en onthutsende onderzoek dat hij voor Oranje Zwartboek gedaan heeft.
De Oranjes danken hun luxueus bestaan en hun vele privileges aan troonopvolging; niet aan bepaalde prestaties of talenten. En daar wringt het, aldus Aalders. Met name de enorme kostenpost die de koninklijke familie is en het feit dat zij amper belasting betaalt (in tegenstelling tot de gemiddelde Nederlander), is in deze tijd bijna niet meer te verantwoorden. Maar Aalders legt nog meer zaken op tafel: geheime onderhandelingen, verborgen transacties, niets ontgaat de kritische blik van de auteur. Dit doet hij gelukkig wel met droge humor. Zo zegt hij over Bernhard: “Bernhard beleed zijn liefde voor de natuur en bijbehorende fauna bij voorkeur met een jachtgeweer.” Ook kan hij cynisch reageren op de soms wel erg jubelende media. Zo schrijft hij over een artikel van de bepaald niet objectieve journalist Tempelman: “Tempelman kwam, zag en kleurde op slag oranje. Hij zag met eigen ogen hoe in de praktijk de samenbindende factor, het cement van de samenleving, aan het werk was.” Het is, ondanks dat Aalders zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de geschiedenis van de koningen en koninginnen, wel heel duidelijk welke mening Aalders heeft over het (voortbestaan van het) koningshuis.
Aalders weet de aandacht vast te houden, ook omdat de inhoud echt heel interessant is en er feiten worden gepresenteerd die bij voorkeur niet in de openbaarheid zijn gebracht. De nationale en internationale koningshuizen blijven iets sprookjesachtigs houden, instituten waaraan we ons vast blijven houden als een anker, vooral in moeilijke tijden. Maar de schaduwkant van het koningshuis, zoals de enorme kosten en de onschendbaarheid (terwijl er best wel zaken zijn die het daglicht niet mogen zien) geven stof tot nadenken. De wereld verandert; moet er dan ook niet wat veranderd worden in dit eeuwenoude instituut? Na het lezen van Oranje Zwartboek ontkom je waarschijnlijk niet aan een mening hierover. 4 Sterren voor dit onthullende boek.
Dezelfde vraag die Aalders stelt bij iedere koning(in) (Wat was Zijn/Haar nut voor Nederland?) kunnen we ook stellen bij dit boek, dat een samenvatting is van de andere Oranje-kritische boeken die Aalders geschreven heeft. Het feit dat Aalders historicus is zou een bepaalde mate van professionaliteit en onderzoek met zich mee moeten brengen. De eerste twee hoofdstukken over Willem van Oranje / de Zwijger en koning Willem I zijn echter van een dermate niveau dat ze de drempel van onderzoek en historische juistheid niet halen. Deze hoofdstukken blinken uit in vooringenomen taalgebruik en in het selecteren van historische feiten om Aalders standpunt dat alle Oranjes domme, publieksgeile en machtsbeluste idioten zijn te staven, maar een ontluisterende geschiedenis, zoals de titel stelt, is dit boek allerminst. De titel an Sich is een contradictio in terminis, aangezien ieder 'ontluisterend', onbekend feit dat in dit boek zou staan, meteen breed opgepikt zou worden door de media. Uiteraard kan het zo zijn dat de media zich terughoudend opstelt als het gaat om kritische verhalen over het Huis van Oranje, zoals Aalders veelvuldig stelt in Oranje Zwartboek. Aalders geeft zelf ook aan meerdere malen tijdens zijn onderzoek tegengewerkt te zijn door verantwoordelijken. Al lezende kan ik me echter niet aan de indruk onttrekken dat Aalders' vraagstelling niet uitnodigt tot een eerlijke weloverwogen beschouwing van de meerwaarde van de Oranjes. Tegen een koningshuis zijn louter vanwege de erfelijkheid is makkelijk, maar Aalders verzuimt om naast de politieke en de economische context, de emotionele context (het hart) van de natie te onderzoeken. En net zoals bij andere onmeetbare zaken waar mensen veel tijd, geld en moeite in steken: je moet er in geloven.
Ik had me door de titel al wel een beeld gevormd van dit boek, voor ik het gelezen had. Dat komt vooral door de titel. Logisch dat het dan geen jubelboek wordt. Ik ben tevreden, dat er nu eens een boek verschenen is, waarin de andere kant van de monarchie belucht wordt. Dat in feite de familie die het goede voorbeeld aan haar volk zou moeten geven, er een potje van maakt in dat opzicht.
Waar ik wat minder gelukkig van wordt is de redelijk vaak voorkomende herhalingen, vaak ook in dezelfde bewoordingen. Niet alleen bij iedere stadhouder en koning, maar zelfs binnen hoofdstukken over het staatshoofd. En de overduidelijke antipathie van de auteur voor het koningshuis maakt dat het boek voelt alsof de auteur zijn gram wil halen, nadat de koninklijke familie hem onrecht heeft aangedaan. Wat mij betreft had dat wel een tandje minder gemogen. Maar goed, zoals gezegd: een verademing, een goed tegengif tegen de nog steeds aanhoudende jubel die de Oranjes ten deel valt.
Iets minder zwaar dan in de vorige reviews ben ook ik van mening dat de auteur zich weliswaar kundig heeft verdiept in de geschiedenis van de bekendste familie van ons land, maar er nét te veel zijn eigen kleur aan heeft gegeven. De opsomming van onheusheden, afkeurenswaardig gedrag, te vaak hangend aan het onontkoombare wereldvreemd zijn van deze familie, maar soms ook simpelweg aan criminaliteit, is eindeloos, al eeuwen lang. Het extra kleurtje lijkt daarmee onnodig. Maar toegegeven: Het geeft het verhaal wat extra smeuïgheid, maar de vraag is wat mij betreft of dat wel nodig was. Al met al heel lezenswaardig en eigenlijk ook heel pijnlijk.
Het boek gaf me genoeg stof om anders over de Oranjes na te denken. Vooral het financiële gewin van de familie komt sterk naar voren. In de tweede helft van het boek werd de mening van de auteur ook steeds sterker. Ik vond het niet storend, maar ik kan me voorstellen dat veel lezers dat als vervelend ervaren.
Ik draag de republikeinse zaak in Nederland een warm hart toe maar de sensationele, weinig academische schrijfstijl van Aalders zal helaas weinig orangisten overtuigen.
Een pamfletterig geschreven boek dat vooral de geldbelustheid van de Oranjes breed uitmeet en tot nadenken aanzet wat nu werkelijk de toegevoegde waarde van het Koningshuis is.
Interessante uiteenzetting over de (schandalen van) de Koninklijke familie. Ik denk vooral interessant voor als je nog niet op de hoogte was van de geschiedenis er van.
Een fraaie opsomming van de dames en heren. Incompetentie, godheidswaanzin, hubris, geldbelust, wie wil ze niet als monarch. Het schaamteloze gegraai van deze wel erg inhalige familie mag best wat in de publiciteit komen. Moeten we zo langzamerhand niet eens een andere 'verbindende factor' gaan uitproberen?
Dit is een pedant en pretentieus boek, dat op geen enkele manier waarmaakt wat het zegt te zijn, een studie over de wezenloze aanbidding van het Nederlandse volk van de familie Oranje-Nassau sinds die onze monarchen leveren, koning Willem I in 1815 tot en met onze Willem-Alexander heden ten dage. Het gaat maar zeer af en toe over de volkse aanbidding, maar veel vaker over de pikante verhouding van de Oranjes met geld. Met name in de laatste hoofdstukken gaat het vooral over de vele anekdotes die daarover de ronde doen, zodat de indruk wordt gewekt dat Aalders niet genoeg materiaal had en dus maar roddel en achterklap produceert. Hij herhaalt zich daarin frequent, terwijl opvalt dat hij de chronologie regelmatig uit het oog verliest en opeens vooruitblikt of terugkijkt. Veel te vaak vervalt hij daarbij in een badinerend toontje dat vermoedelijk als leuk moet dienen, of spits. Quod non. Voor de geïnteresseerde burger bevat het werk niks nieuws, maar dat wordt dan weer wel met veel aplomb gebracht, en met 616 voetnoten, 10 pagina's literatuur en 7 pagina's register, want Aalders is niet van de straat.