Jos Van Beurden, Ongemakkelijk erfgoed. Koloniale collecties en teruggave in de Lage Landen. Zutphen, Uitgeversmaatschappij Walburg Pers, 2021, 239 blz., ill.; ISBN 9789462496583, E-ISBN: 9789462496590; € 24,99 & € 12,99.
Er is nooit meer over dekolonisatie en restitutie van erfgoed verworven in een koloniale context gesproken als de laatste paar jaren. Het lijkt echt wel het momentum om dit te doen. En als we in deze context over teruggave spreken dan komt altijd ergens de naam van Jos van Beurden aan de oppervlakte. Met de neerslag van zijn proefschrift Treasures in Trusted Hands (2017, recensie in Volkskunde 118-2, 198-202) gaf de auteur mee de aanzet tot zeer vaak heftige discussies over dit ongemakkelijk onderwerp. Samen met vele anderen zette hij het mee op de agenda van de politiek. De tijdgeest is meer dan rijp voor actie. Er is in ieder geval heel wat in beweging, niet enkel in Nederland en België, maar ook in onze buurlanden. Dit maakt ondertussen van de auteur een internationaal gewaardeerd expert en raadgever. Toch ontbreekt in dit boek wel een klare en duidelijke definitie van wat koloniale collecties precies zijn, temeer omdat het gaat om cultuurgoederen uit oude kolonies die in een koloniale periode en vroeger zijn verworven. Het recentste boek van Van Beurden bespreekt in grote lijnen de dubieuze koloniale collecties verworven in koloniale context in België en Nederland, wat tegelijkertijd de vraagstelling van de vroegere koloniën mee aanvoert. Een status quaestionis die echter door de tijdsgeest razendsnel wordt ingehaald. Zowel in Nederland als in België waait de wind plots veel meer richting zuiden (Afrika) en oosten (Azië). Er zijn ook processen in gang gezet die hopelijk niet omkeerbaar zullen zijn (bv. de Benindialoog, de oprichting in België (juli 2020) van de Federale Onderzoekscommissie naar het koloniale verleden, …). Van Beurden kijkt onbevangen en onbevooroordeeld naar beide landen en verliest zich niet in het opmaken van een soort hiërarchische rangschikking van wie het nu beter doet. Vergelijken is helpen bij de verdere ontwikkelingen en vorderingen van de dekolonisatie. Het pad dat beide landen bewandelen is uiteindelijk niet zo afwijkend, met toch dit verschil dat het omwille van de ingewikkelde staatsstructuur in België toch net altijd iets moeilijker gaat (211). Al zeker niet als het de snelheid van de evolutie betreft. De vooruitgang valt ook niet altijd even makkelijk te meten. Al was het maar omdat er een verschil bestaat vanuit welke kant (noord of zuid) je dit proces bekijkt. En of er werkelijk sprake is van gelijkwaardigheid, rechtvaardigheid en vertrouwen. Het is absoluut niet makkelijk om de juiste toon te treffen bij de bespreking van historisch onrecht. En er bestaat een groot verschil tussen de belofte om niet meer te ontvreemden en het teruggeven van voorwerpen. Jos van Beurden stelt in ieder geval dat niet elk in bezit genomen cultuurvoorwerp uit een vroegere kolonie roofkunst betreft en dat dus niet alles return to sender is. Hij beschrijft wel wat er in de koloniale periode naar de Lage Landen is gekomen en wat dat ook in de landen van herkomst teweegbracht en dat net (het onderzoek naar) die herkomst een moeilijke taak is. Dat doet hij in eerste instantie aan de hand van zijn eigen vroegere (reis)ervaringen en de weg die hem tot de research van ongemakkelijk erfgoed leidden, waarbij hij onmiddellijk stelt dat een bevredigende oplossing bij kunstroof altijd van beide kanten moet komen. Bij Van Beurden leidde dat tot het informele Leiden Network for the Preservation of Cultural Heritage. En dat leidde dan weer tot het aanvaarden van de Unescoconventie van 1970 in België en Nederland. Bij de beschrijving van die massale eenrichtingsstroom stelt de auteur meteen ook de authenticiteit van de herkomstvraag ter discussie. Neen, niet alles is roofkunst, maar het onderzoek naar de verwerving van de stukken is een moeizame en langdurige opdracht. Sommige stukken zijn ook na opdracht verkregen. Dus via aankoop. Het lijkt me wel wat te ver gezocht om in dit verband (p. 58) een Afro-Portugees peper-en-zoutvat uit de zestiende eeuw of Chinees porselein als vroege toeristenkunst te catalogeren. Dan zou zelfs het Romeinse terra sigilata in onze streken op die manier als toeristenkunst worden omschreven. We kunnen niet anders dan samen met de auteur vast te stellen dat er in de Lage Landen omwille van verschillende factoren er wel van alles lijkt te bewegen, maar dat we ons geen begoochelingen moeten maken over de snelheid ervan. En er is inderdaad een shift in het denkpatroon, waarin we ons als Europeanen als slachtoffer zagen van de Duitse bezetter, maar vergaten dat wij als Europeanen in de koloniale periode de daders waren. Toch moeten we oppassen met de vergelijking tussen beide vormen van onrechtmatige toe-eigening, omdat er wel degelijk verschillen bestaan (p. 205: spreiding in tijd en plaats, documentering, …). Maar tussen veranderde ideeën en teruggave ligt vaak een heel lange en moeizame weg, net omdat de geesten ondanks alles nog niet altijd volledig klaar en rijp zijn. De daders blijven vaak nog hangen in een postkoloniaal gedachtengoed, waarbij de idee dat na teruggave voorwerpen snel via de zwarte markt zullen verdwijnen nog vaak de boventoon voert. Daarenboven denken we nog vaak dat er geen veilige musea bestaan. Wat meteen inhoudt dat wij beter voor die voorwerpen zouden kunnen zorgen, wat natuurlijk een zorgwekkende neokoloniale inhoud verbergt. De geesten moeten inderdaad nog rijpen op dat gebied. De rol van musea is daarom belangrijk om net die dubieuze cultuurvoorwerpen in een juist daglicht te plaatsen, iets wat gelukkig steeds meer en correcter gebeurt en wat Van Beurden duidelijk en rijkelijk illustreert. Bijvoorbeeld met het krachtbeeld (nkisi nkonde) van chef Ne Kuko in het Tervuurse Africamuseum. Er is ook duidelijk een verschil tussen artefacten en menselijke resten, waarvan men iets sneller het historische recht van afkomst erkent. In een tweede deel komen de zuinige teruggaven in de jaren zeventig aan de oud-koloniën (enerzijds Belgisch Congo en de mandaatgebieden Rwanda en Burundi, en anderzijds de voormalige Nederlandse koloniale gebieden Indonesië, Suriname en de Caribische eilanden) aan bod, waarbij de stugge houding van de kolonisatoren nog altijd de hoofdrol speelde. Toch stelt van Beurden vast dat sinds de jaren zeventig de beide landen steeds kritischer naar hun koloniaal verleden en de daarmee gepaard gaande collecties kijken. En toch – zoals de geschiedenis van de kris van prins Diponegoro (Indonesië) aantoont – is het niet altijd even makkelijk om de herkomst te traceren, omdat naast de moeilijkheden wegens ontbrekende of moeilijk verklarende bronnen er ook een samenwerking tussen de vroegere daders en slachtoffers vereist is. En dat is niet altijd rechtlijnig eenvoudig. Indonesië richt zich bijvoorbeeld steeds meer op de eigen regio dan wel op de relatie met de vroegere koloniale mogendheid. En waar bij Nederland er niet één figuur echt uitspringt, is dat voor België met de figuur van Leopold II toch wel enigszins anders. Gesjoemel bij de teruggave van objecten (p. 106-7) lijkt nu niet meer mogelijk en de spijtbetuiging van koning Filip in 2020 kan een nieuwe periode inluiden. In de huidige Democratische Republiek Congo stelt men dan, anders dan in Indonesië, nog niet klaar te zijn voor teruggave wegens onvoldoende goede capaciteit, ook al is dat ondertussen wel wat achterhaald. Het derde deel vertelt hoe recente teruggaven in zijn werk gaan. Het gaat hier niet enkel om kunst- en cultuurvoorwerpen, maar ook om kilometers archieven uit het koloniale verleden Dat digitalisering hierin een belangrijke rol kan spelen is niet enkel evident, maar ook doorslaggevend, zoals moge blijken uit de samenwerking tussen België en Rwanda. In dit deel vind je ook een uitvoerige bespreking van de sluiting van het Delftse Nusantara museum en vooral de Beninobjecten die de aanleiding (kunnen) zijn tot een Europese aanpak, wat op zichzelf al een grote vooruitgang kan betekenen omwille van de uniformiteit. Van Beurden merkt terecht op (p. 211) dat de Federale onderzoekscommissie Belgisch koloniale verleden onderzoek verricht naar de impact van de Belgische staat, inclusief ook de monarchie, de Kerk en bedrijven. België gaat hierin verder dan Nederland. In het vierde deel bekijkt de auteur – voor zover mogelijk – de collecties die zijn ontstaan door en bij de missies en zending en bewaard zijn in voormalige missiehuizen en bij congregaties. Deze collecties zijn in grote mate aan het publieke oog onttrokken, maar zijn wel heel belangrijk, zowel qua kwaliteit als kwantiteit. En ook bij deze collectie dringt zich de vraag op in hoeverre die stukken rechtmatig zijn verworven. Het onderzoek hiernaar lijkt op zijn minst even problematisch. Overigens stipt Van Beurden hier terecht aan dat in de houding van de zendelingen er ook een evolutie is geweest van het vernietigen van heidense artefacten naar het verzamelen voor eigen “gebruik” en familie waardoor de verspreiding van die voorwerpen heel diffuus en bijna niet meer traceerbaar is. De collectie afkomstig van de Zwitserse militair Hans Christoffel die voor het KNIL werkte (187-8) bevindt zich het Antwerpse MAS en is een goed voorbeeld van een “moeilijke” collectie. Herkomst, verwerving, verkoop, eigendom, het zijn allemaal elementen die een mogelijke teruggave bemoeilijken, temeer omdat ondertussen gesprekken (sinds het verschijnen van dit werk) met specialisten ter zake aantonen dat het echt niet eenvoudig is om bij teruggave de juiste ontvanger te definiëren zonder daarbij een nieuwe en interne machtsstrijd te ontketenen, zoals bij de vijf vlaggen uit de MAS-collectie, waarbij zelfs de functie van de vlaggen al vragen opwerpt. Het laatste deel gaat over de nieuwe ethiek die er toch wat lijkt aan te komen, maar het moge duidelijk zijn dat er nog heel wat werk aan de winkel is. Jos van Beurden kan uiteraard geen definitieve oplossingen aanbieden, maar door het beschrijven van de huidige stand van zaken geeft hij – na zijn werk Treasures in Trusted Hands – een soort catalogus van de problemen rond teruggave van erfgoed aan de oorspronkelijke bezitters. Dat dit proces vaak ongemakkelijk is in al zijn facetten, is haast een open deur intrappen, maar toch is dit werk belangrijk omdat het op zijn minst de grote verdienste heeft om die open deur ook werkelijk open te houden en de vinger aan de pols te zijn bij wat nog moet komen. Want dit boek is niet meer dan een beginpunt in een evolutie die ons in de volgende decennia zal bezighouden en hopelijk niet omkeerbaar is. Onder tijdsdruk van het momentum gaat Van Beurden soms wel wat slordig met het bronnenmateriaal om. Interessant is de al kritische houding van van de Belgische professor Frans M. Olbrechts (1899-1958) in de jaren 1930. Jos van Beurden legt die uit, maar situeert diens wetenschappelijke expedities en verzamelreizen verkeerdelijk in het Congogebied, in plaats van Ivoorkust en West-Afrika. Foutjes die waarschijnlijk aan de tijdsdruk van de uitgeverij te wijten zijn, maar die uiteindelijk niks afdoen aan de waarde van dit werk in de hoop dat het mee een kantelpunt bij teruggave van cultureel erfgoed kan bewerkstelligen. En Jos Van Beurden zal hier niet stoppen met het melden van hoe het allemaal (verkeerd) loopt bij alles wat restitutie betreft. Getuige hiervan zijn de veelvuldige mails die hij aan betrokkenen stuurt met wat hij telkens weer in de actualiteit aantreft. Een volgehouden inspanning die absoluut ook van toepassing is op het hele proces van teruggave.
In Volkskunde (2021/122-3, p. 490-494) verscheen een uitvoerige recensie van mijn hand over het werk van Jos van Beurden. Het is een genuanceerde en onbevooroordeelde stellingname over koloniaal erfgoed in Nederland en België. Dit werk vond de nodige weerklank en oversteeg het de taalkundige grenzen van het Nederlandstalige gebied. Een vertaling naar het Engels was dan ook een logische stap in de verspreiding van het werk van Van Beurden, omdat dit werk als voorbeeldcasus kan dienen voor andere landen. De auteur heeft hier en daar wat onvolkomenheden en foutjes weggewerkt in de vertaling. Slightly updated staat er in het colofon. Het blijft echter een soort catalogus van de problemen rond teruggave van erfgoed en wat daar allemaal kan mislopen. Het blijft een lange weg om te behandelen. Overigens wel merkwaardig dat de naam Frans M. Olbrechts uit de index is verdwenen, ook al wordt in het boek aan hem gerefereerd. Een absolute meerwaarde is in ieder geval dat voor gebruik er een gratis pdf-versie van het boek in het Engels beschikbaar is.
De schrijver wist op het einde opeens met interessante inzichten en stellingen te komen. Verder was het boek vooral een opsomming van casussen. Dat is fijn, als je daarnaar op zoek bent. Ik vond het dus nogal tegenvallen.