Nadat docent klassieke talen Adriaan zijn vrouw Aimée heeft verloren, trekt hij naar Italië, daar werkt hij verder aan een project waar hij al jaren mee bezig is: hij wil de laatste weken beschrijven van het leven van keizer Hadrianus – de periode die Marguerite Yourcenar in Mémoires d’Hadrien niet heeft verteld.
Hij treedt in de voetsporen van Hadrianus en verblijft in Rome, in Napels en ten slotte in Baia, de oude Romeinse badplaats waar de keizer volgens overlevering op de tiende juli van het jaar 138 stierf. Terwijl hij werkt aan de beschrijving van de laatste reis van de keizer dringen gedachten aan Aimée zich steeds sterker aan hem op en durft hij het eindelijk aan in haar nagelaten dagboeken te lezen.
Het einde van het lied is een verzengende tour de force over liefde, noodlot en aanvaarding, waarin Willem du Gardijn op geraffineerde wijze fictionele en historisch-biografische verhaallijnen verweeft.
Willem du Gardijn (voormalig pseudoniem: Willem Jardin) studeerde in Utrecht en Berlijn. In 2008 publiceerde hij de roman Monografie van de mond. Daarmee werd hij genomineerd voor de Academica Literatuur Prijs. In 2011 verscheen zijn buitengewoon goed ontvangen verhalenbundel Negen raven. In 2016 volgde de roman Bevrijding. In de herfst van 2018 verschijnt de verhalenbundel Het grote vakantiepark.
Ik heb Het einde van het lied gelezen, een bijzondere roman van de Nederlandse schrijver Willem du Gardijn. Het boek bestaat uit drie delen en draait rond Adriaan. Hij is leraar klassieke talen, hij heeft een vrouw Aimée en een studiesubject: keizer Hadrianus uit de Romeinse oudheid. Hij wil te weten komen waar en hoe Hadrianus gestorven is.
Willem du Gardijn slaagt erin om uit een combinatie van drie schijnbaar eenvoudige deelverhalen een complexe roman op te bouwen. Hij tovert uit zijn materiaal een heldere lijn tevoorschijn die de kracht van echte literatuur openbaart: wie de concentratie opbrengt om de drie delen te lezen, wie haar diepe aandacht aan dit boek geeft, wordt beloond. Met een wervelend slot, maar vooral met een complexe ervaring over de dood en hoe je daarmee omgaat. Tegelijk vertelt het boek over taal en hoe wij verhalen maken, hoe wij beslissen dat een verhaal eruitziet. Waardoor deze roman op sluwe wijze meteen ook zichzelf spiegelt en in vraag stelt.
Het einde van het lied is een bijzonder boek, dat mij als lezer eerst in onzekerheid hield, om mij langzaam mee te sleuren, en op het einde te doen rechtkruipen met de vraag wat me in godsnaam overkomen was. Een rijk boek. Een ervaring, een belevenis.
Deze schrijver kàn schrijven, dat verdient zelfs 4*. De schamele connectie tussen de 3 vertelperspectieven ontgoochelde mij wel in die mate, dat ze m'n quotering beïnvloedde.
Wat een prachtig geschreven boek. Het bestaat uit drie delen, over de onttakeling en zelfmoord van Aimée, over het onderzoek van haar weduwnaar Adriaan in Baia naar de sterfplek van keizer Hadrianus, en over de laatste dagen van keizer Hadrianus in juli 138, toen hij letterlijk zijn dood in zijn villa in Baiæ tegemoet reisde. De stijl van de drie delen loopt sterk uiteen en reflecteert de hoofdpersonen. Het laatste deel, geschreven in de ik-figuur van Hadrianus, begon in mijn ogen wat traag en haperend, maar won aan vaart en virtuositeit zodanig dat ik de laatste hoofdstukken vrijwel ademloos uitlas. In alle drie de delen laten de hoofdpersonen zich steeds meer door hun wanen meeslepen, en dan is Du Gardijn op zijn best.
Het einde van het lied is een roman in drie delen, drie liederen. In het eerste deel maken we kennis met Aimé en Adriaan wier relatie zwaar op de proef wordt gesteld. Nadat hij zijn vrouw Aimée op overspel betrapt heeft, besluiten Adriaan en Aimée, na vijftien jaar uit elkaar te gaan. Of toch niet helemaal, want hun chique huis op de Amsterdamse Apollolaan is groot genoeg om er samen apart in te wonen. Zij geeft voortaan haar muziektherapie in het tuinhuis, terwijl hij zich terugtrekt op zolder. Over het gebruik van de keuken maken ze afspraken.
Het gedrag van Aimé ontspoort en kent een fatale afloop. Je voelt de noodlottige afloop aankomen en vergeet het waarom te ontdekken. Er zijn weinig sporen in het verhaal hiervan. Af en toe een hint, maar zeker ben je niet. Toch is het toch nog even schrikken wanneer ze de finale beslissing neemt.
In het tweede lied vergezellen we Adriaan die, na het overlijden van zijn vrouw in Italië vertoeft. Hij is op zoek naar het verhaal van de laatste levensdagen van de Romeinse keizer Hadrianus. Toen Aimée nog leefde wilde hij er ook al (met haar) naartoe, maar in plaats van gemoedelijk rond te wandelen in Rome speurt hij rond in archieven en in het toenmalige Baiae (nu Baia) om erachter te komen waar keizer Hadrianus stierf. We volgen de wetenschapper tijdens zijn zoektocht naar de exacte plaats waar de keizer gestorven is. Hij treedt in de voetsporen van Hadrianus en verblijft in Rome, in Napels en ten slotte in Baia, de oude Romeinse badplaats waar de keizer volgens overlevering op de tiende juli van het jaar 138 stierf. Het is daarmee een verlengstuk van Marguerite Yourcenars klassieker Herinneringen van Hadrianus uit 1951; Du Gardijn schrijft Hadrianus nog net wat dichter naar diens dood toe. In het derde deel is de keizer aan het woord. De laatste reis. Vereerd en gevreesd. Maar menselijk. Zijn einde nadert en dat weet hij maar al te goed. Het levenslied eindigt met de dood van de keizer. Waarom een leven eindigt is niet belangrijk, het zijn de herinneringen en wat we ons proberen voor te stellen. Wat de omgeving ervaart en nog kan terugvinden van deze persoon. Het einde van het lied is helemaal drie keer opnieuw anders, want in de in drie ‘liederen’ gecomponeerde roman slaat hij driemaal een nieuwe toon aan, passend bij de personages en passend bij de omstandigheden waarin ze zich bevinden.
Nadat Adriaan zijn vrouw Aimée op overspel heeft betrapt, besluiten ze na vijftien jaar uit elkaar te gaan. Of toch niet helemaal, want hun sjieke huis op de Amsterdamse Apollolaan is groot genoeg om er samen apart in te wonen. Zij geeft voortaan haar muziektherapie in het tuinhuis, terwijl hij zich terugtrekt op zolder. Over het gebruik van de keuken maken ze afspraken. Frusterend wordt dat na verloop van tijd, waardoor Aimée zich gaat afvragen of een kinderwens en een doodswens wel samen kunnen gaan en uiteindelijk voor de tweede zwicht, in bad, zoals de Romeinen het deden. Zo verloopt het eerste van de drie liederen die samen Willem de Gardijns ronduit verbluffende roman Het einde van het lied vormen. In het tweede volgen we classicus Adriaan die bedrukt door de dood van Aimée naar Italië reist om er onderzoek te doen naar de laatste dagen van de Romeinse keizer Hadrianus. Marguerite Yourcenar schreef Mémoires d’Hadrien over hem, maar ging nooit dieper in op zijn dood. Met een paar lijntjes maakte ze er zich vanaf, wat Adriaan altijd jammer heeft gevonden. En dus bezoekt hij Napels en Baia, en slaagt hij er met grote zekerheid in te bepalen in welke villa de keizer uiteindelijk stierf. De korte biografie die hij schrijft, en waarin hij Hadrianus neerzet als een bedachtzaam keizer die er altijd over gewaakt heeft ook een waardig man te zijn, vormt het derde lied van het boek. Du Gardijn is een fijnzinnig stilist die zijn drie liederen een eigen toon geeft. In het eerste volgen we Aimeé van dichtbij en zijn we getuige van haar alsmaar toenemende verwarring. Korte zinnetjes zijn het, als schichtige blikken. Adriaans zoektocht naar de keizer en uiteindelijk ook naar zichzelf verloopt rustiger, al heeft ook hij zijn katten te geselen wanneer hij zich uit zijn Napolitaanse appartement sluit en een nacht in een steeds kouder en onwezenlijker gang moet doorbrengen. En dan is er het meest afstandelijke verhaal, het historische, waarin du Gardijn zich het aura van Yourcenar aanmeet - en daar ook nog eens met glans in slaagt. In hoeverre kunnen we de ander ooit kennen? Of onszelf? Hoe verwerken we verdriet? En wat te doen met de dood? Het zijn eeuwige vragen waar ook keizers mee worstelden.
Het is dat ik dit boek voor mijn leesclub moest lezen anders had ik het niet uitgelezen. Het boek bestaat uit 3 verschillende verhalen. Het eerste verhaal gaat over Aimée, die in een depressie zit. Dit is een mooi verhaal, maar eindigt op bladzijde 54, als je net in het boek zit. Daarna begint het verhaal van haar man Adriaan, leraar klassieke talen die een sabbatical heeft genomen om in Italië onderzoek te doen naar de plaats waar Hadrianus is gestorven. Hier begon mijn probleem. Je bent eigenlijk net in het boek bezig, verwacht dat het op pag. 55 verdergaat, maar nee hoor. Er is een ander personage, een andere schrijfstijl, een andere plaats. Het kost dus weer tijd om erin te komen. Mijn volgende probleem was dat de onderzoeksvraag mij helemaal niet interesseerde. Ik ken Hadrianus eigenlijk alleen van de Hadrian Wall, maar wie was die man??? Als ik hem niet ken interesseert het me ook niet waar hij gestorven was. Nou moet ik zeggen dat dit deel toch wel interessant werd, omdat Adriaan te maken krijgt met Italianen en hij reist door Italië. Dat komt de sfeer van het verhaal wel ten goede. Tenslotte krijgen we de reis van Hadrianus naar de plek waar hij wil sterven. De stijl is gedragen en wollig. Vooral hier kost het me moeite om doorheen te komen. Ik neem niet alles in me op, maar vond dat ik het uit moest lezen om een oordeel te kunnen vellen. Onder de titel van het boek staat 'roman'. het is fictie, maar ik vind het geen roman. De drie verhalen hebben alle eenzelfde thema, maar de lijn tussen het eerste en het tweede verhaal is nihil. Het verhaal van Aimée had net zo goed weggelaten kunnen worden, ik zie niet in wat de functie daarvan is. De lijn tussen het 2e en 3e verhaal is duidelijk voor mij; het derde houdt namelijk verband met de onderzoeksresultaten van Adriaan. Al bij al kostte het me te veel moeite om van het een in het andere verhaal te stappen en ik geloof dat verhaal 2 en 3 pas interessant worden als je 'Mémoires d'Hadrien' van Marguerite Yourcenar hebt gelezen, want daar refereert Du Gardijn steeds aan. Ik heb dat boek echter niet gelezen, dus vandaar mijn 2 sterren.
Wat een wonderlijk boek. Het bestaat uit drie delen (‘liederen’ aldus de auteur) die onderling nogal losjes met elkaar verbonden zijn, maar toch erg op zich staan. Eigenlijk propt de auteur een psychologische roman, een litteraire roman en een historische roman in één boek. Zelfs de schrijfstijl en het ritme verschillen enorm. Dat is op zich knap gedaan. Maar de uiterst dunne lijntjes tussen de drie delen werken bij mij wel bevreemdend. Ik doorgrond de bedoeling er van niet.
Bij het eerste en het laatste deel staan een sterfgeval centraal. In het eerste deel overvalt de dood de lezer plots, bij het laatste deel is vanaf het begin duidelijk dat de dood aanstaande is, sterker; die wordt in het tweede en middelste deel al rijkelijk aangekondigd.
Ik kreeg het boek van een goede vriend van de auteur, die hem een succes gunt en niet te beroerd is daar aan bij te dragen door een flinke stapel aan te schaffen en het links en rechts uit te delen. Persoonlijk denk ik dat iets meer houvast voor de lezer en coherentie tussen de delen beter zouden helpen om er een succes van te maken. De auteur kan beslist mooi schrijven: Het levert drie prima leesbare delen op, maar het gebrek aan een doorlopende verhaallijn laat mij als lezer wel in onbegrepen verwondering achter.
De titel van dit boek trok me erg aan, Het einde van het lied. Welk lied zou hier gezongen gaan worden? Dat viel nogal tegen, van muziek is geen sprake. Wel van een einde, het boek gaat nadrukkelijk over het levenseinde en is daarin zeker het lezen waard.
Willem du Gardijn schrijft mooie zinnen met vaak een filosofische inslag. Eigenlijk is het boek eerder filosofisch dan literair, in de zin dat de personages in mijn ogen niet veel reliëf krijgen. Ze gaan niet echt voor me leven. Dat maakt het boek niet heel makkelijk leesbaar. Maar er staat prachtig taalgebruik tegenover en daar geniet ik erg van. Dat is het sterkste in het derde deel, over de laatste dagen van keizer Hadrianus, in de ik-vorm geschreven (net als deel 2 over Adriaan, docent Klassieke talen, en in de rouw na de zelfmoord van zijn vrouw Aimée, die in deel 1 een stem krijgt, in de derde persoon). ‘Als iemand een ziel kon bewaren dan moest het een dichter zijn, zelfs een filosoof was in zijn allerhoogste capaciteit niet opgewassen tegen de baren van de vergankelijkheid omdat hij te veel benoemde. Was dit een waan? Die wens herinnerd te worden?’
De samenhang tussen de drie liederen is weliswaar helder, maar erg losjes. Daar had meer in gezeten, al kun je de meerstemmigheid ervan als voldoende beschouwen.
'Daarnaast maakt hij opmerkingen over het onderzoek zelf, over de taal, over het feit dat taal niet empirisch te verifiëren was en dat ik moest nadenken over analoge bewijsvoering. Onzin was het te zeggen dat de mythes onzin waren omdat ze oncontroleerbaar waren. Orpheus nooit in de Hades geweest omdat dat niet te verifiëren viel? Metamorfosen ondenkbaar omdat ze niet realistisch waren? Vergilius een leugenaar? Als je de ingang tot de Hades wist te vinden zou je voorzeker voetstappen van Orpheus aantreffen. Dante nooit in de hel geweest omdat nooit iemand onweerlegbaar had bewezen dat de hel bestond? Mon dieu. Dante zelf had het bewezen! Met zijn geschriften!'