Onlangs verscheen de Nocilla- trilogie, mooi vertaald door Adri Boon, stijlvol uitgegeven door Koppernik. In Spanje wordt deze trilogie als een sensationele mijlpaal gezien, en als een baanbrekend literair experiment. Enkele Facebook- leesvrienden reageerden dan weer heel verschillend: sommigen waren euforisch, anderen teleurgesteld en verveeld. Maar ik amuseerde mij opperbest. Het boek ademt namelijk duidelijk de geest van Calvino, Borges, Cortazar, Villa- Matas, Deleuze & Guattari: experimentele auteurs waar ik zeer van hou. En Fernandez Mallo is naar mijn smaak een talentvolle en originele volgeling van deze giganten, ook al haalt hij volgens mij niet hun soms torenhoge niveau.
Samenvatten is overigens onmogelijk, en dat is een van de charmes van deze trilogie. De eerste twee delen bestaan namelijk uit korte en vaak zeer van elkaar verschillende fragmenten: flarden van verzonnen verhalen met personages die vervolgens weer uit het boek verdwijnen, andere flarden met personages die later ineens weer terugkeren, citaten uit wetenschappelijke bronnen, citaten uit een boek over popmuziek, en ga zo maar door. Die fragmenten zijn ogenschijnlijk nogal vlak van stijl, vooral omdat ze het moeten hebben van suggesties tussen de regels door. Of van de grillige associatieve verbanden tussen die fragmenten. Pluriformiteit viert daardoor hoogtij, en suggestie is koning. Dat wordt versterkt door de wonderlijke inhoud van veel van de fragmenten: zoals bijvoorbeeld in het verhaal van iemand die kunst maakt door opnamen van doodgewoon alledaags geluid, of in het verhaal van een kunstenaar die stukjes kauwgom beschildert op een stoep, of de fragmenten over een immense varkensstal met vele verdiepingen ergens in een verlaten deel van de voormalige Sovjet- Unie. Wonderlijk, deze fragmenten. En dat wordt versterkt door hun onaffe vorm en hun openheid, en door de grillige associatieve verbanden tussen de fragmenten: verbanden die het raadsel eerder vergroten dan verklaren.
Bovendien wordt in de fragmenten vaak gespeeld met het motief van transformatie en grensoverstijging, waarin alles zijn vaste contouren en veilig- herkenbare begrenzingen verliest. Bijvoorbeeld in de raadselachtige fragmenten over "land art", waarin land een soort van anti- conventionele kunst wordt die conventionele kunst overbodig maakt. Of over het "transhumanisme" dat "de mensheid als een tussenfase in de evolutie van het intellect" opvat. Zonder dat er een duidelijk beeld wordt gegeven van wat er na die tussenfase komt. Of over de eendenmossel, als een fascinerend overgangswezen: "In feite leven ze net als nomaden op de grens tussen het vloeibare, vaste en gasvormige, met dat verschil dat zij, vastgeklonken aan de rots, zich niet verplaatsen, en de echte grens van de waterwereld dan zelf nomadisch wordt en om de drie seconden naar hen toe komt, alsof het ze niets kan schelen dat er op de grenzen van de materie randen noch hoeken zijn, alleen antimaterie, alsof het ze niets kan schelen dat hun meest nabije overbuurman een paal van essenhout is die in de baai van New York in decimalen de getijden aangeeft".
Ook is er een fraai verhaal waarin eerst wordt gemijmerd over de onconventionele spiegelingen van spiegels die plat op de grond zouden liggen of tegen het plafond zouden zijn geplakt, en vervolgens over de nog spectaculairder nieuwe invalshoeken die je krijgt dankzij "morphing", het digitaal bewerken van gezichten. "Artaud zei het al: 'Het menselijk gezicht is een lege kracht, een dodelijke ruimte [...], dat betekent dat het menselijke gelaat nog altijd niet zijn smoel heeft gevonden [...], het is waar dat het menselijke gezicht al duizenden jaren praat en ademt, maar we blijven de indruk houden dat het nog steeds niet heeft gezegd wat het is en wat het weet'. In dat licht bezien zijn tot nu toe Frankenstein, Tetsuo, Mr. Spock, Paling en Ko, Baron Ashler niet meer dan schuchtere emulsies van wat er nog gaat komen". Artaud (zo weet ik toevallig) was een op de rand van krankzinnigheid opererende kunstenaar die via experimenteel toneel en experimentele schilderkunst vorm poogde te geven aan de volkomen irrationele oerkrachten, omdat daarin volgens hem de nog onontgonnen kern was te vinden van onze identiteit. Tetsuo (weet ik via Google) is een deels uit metalen onderdelen bestaand personage in een cyberpunk-film. Barin Ashler (weet ik ook via Google) is een soort semi- mythische stripfiguur, ontleend aan Hindu-mythen, mannelijk en vrouwelijk en goddelijk tegelijk. Kortom: ook hier wordt met raadselachtige tussenwezens en overgangen gespeeld, met transformaties, met ontgrenzingen. En dat zijn "niet meer dan schuchtere emulsies van wat er nog gaat komen": ze openen allerlei nieuwe perspectieven op nieuwe realiteiten en ervaringen voorbij het bekende, maar ze onthullen hun betekenis niet. Net zo min als dit fragment. Net zo min als de andere fragmenten. Net zo min als de trilogie in zijn geheel. Temeer omdat die trilogie allerlei verschillende fictionele en non- fictionele genres met elkaar combineert, en daardoor nog meer in het teken staat van transformaties en overgangen.
Deel 1 en 2 van de trilogie hielden mij dus aangenaam bezig met allerlei fragmentarische en tantaliserend- raadselachtige perspectieven. Deel 3 was echter ineens heel anders: het begint met een zin van ruim 70 bladzijden lang, en gaat verder met meerdere hoofdstukken in steeds andere stijlen en vormen. Geleidelijk ontdek je dat de hoofdpersoon en ik- figuur schrijver is, en zijn naam deelt met de schrijver van de Nocilla- trilogie. En dat die ik- figuur nieuw licht laat schijnen op de eerste twee delen van de trilogie en de opzet van de trilogie als geheel. Maar ook dat is naar mijn smaak weer bedoeld om het raadsel nog te vergroten. Deel 3 wordt namelijk steeds surrealistischer, de ik- figuur wordt steeds raadselachtiger, en "het Project" waarover hij vol snakkend verlangen spreekt wordt steeds enigmatischer. Het wordt immers nergens exact beschreven en gedefinieerd, en ergens wordt gesuggereerd dat elk echt groot Project zich buiten de tijd bevindt, buiten de betekenis, in de stilte...
De ik- figuur is bovendien geen mens uit één stuk: het verhaal van zijn omzwervingen wordt op meerdere verschillende manieren en in verschillende versies verteld, en in één van die versies ontmoet hij zijn dubbelganger, die ook een soort alternatieve versie uitvoert van "het Project". Zo heterogeen, pluriform en ongrijpbaar is dus de ik- figuur. Bovendien mijmert hij opvallend veel over de leegte en stilte tussen de woorden, over de oningevulde stukken wit tussen de zinnen en de beelden van een stripverhaal, over de spookachtige onbepaaldheid onder elke betekenis, over de ruïne als een "ongastvrije ruimte" en over "een zeer complexe zone van affecties, banden, hatelijkheden, verstandhoudingen, voorwerpen, ervaringen die voorgoed ongastvrij zal zijn voor de wereld aangezien niemand haar ooit zal kennen". En het ik van de ik- figuur is duidelijk zo'n "complexe zone", zo'n "ongastvrije ruimte". Net als zijn "Project". Geen wonder dus dat deel 3 bijna woordloos eindigt. In stilte, in stemmige duisternis, in het niets....
Zo staat deze hele trilogie dus volgens mij in het teken van onbestemdheid, onbepaaldheid, ongrijpbaarheid. Alles in deze trilogie is open en onafgerond. Fernandez Mallo vertelt geen verhaal met kop en staart, maar alleen fragmenten daarvan, en tast naar sferen voorbij verhalen met kop en staart. Zoals hij ook tast naar perspectieven op sferen voorbij ons perspectief, en zoals hij ook allerlei genres mengt op zoek naar nieuwe tussenvormen. Hij rekt in deze trilogie voortdurend de grenzen op, uit een soort fascinatie voor alles wat zich buiten die grenzen bevindt. Die fascinatie deel ik wel, zij het misschien iets gedempter. Dus ik heb mij prima vermaakt.