Bijna 20.000 jongens en meisjes leven in Belgische tehuizen. Ik ben eeuwig jong is een reis door dit onbekende, in de literatuur onbetreden gebied. En het is geen verkwikkende tocht : ‘Het eten is lekker’, maar verder is het een landschap van ontrouw, verwarring, homofilie en lafheid.
Christian Hanjoul komt op driejarige leeftijd in een tehuis terecht. Zijn ouders, die in een zeer vrije commune leven, worden door de rechter onbekwaam geacht om hun zoon op te voeden. Na een lange periode van eenzaamheid in de vervreemdende omgeving van het katholieke kindertehuis, bouwt Christian met zijn lotgenoten leefbare koninkrijkjes van naïeve eigengereidheid op. De vijandige omgeving slaagt er voortdurend in de moeizaam gebouwde kaartenhuisjes van vrijheid te doen instorten.
Wanneer op zowat zeventienjarige leeftijd een overmoedige en brutale Christian een werkelijke bedreiging voor het instituut wordt, moet hij verdwijnen. Door een gunst van de jeugdrechter mag hij na diefstal bij zijn grootmoeder wonen. Meer dan ooit sluit hij zich op in zijn eigen cocon. Hij zoekt een oplossing voor zijn impotentieprobleem, beleeft een wanhopige liefde maar moet alweer, na diefstal, terug naar het tehuis. De cirkel is rond, de toekomst uitzichtloos.