Als planoloog Zef Hemel in 2004 in Amsterdam aan de slag gaat begint een zoektocht naar een nieuwe ruimtelijke visionaire planologie. Deze gaat niet meer uit van het idee van maakbaarheid, maar is democratisch en wordt gevoed door ervaringen en verbeeldingskracht van burgers. Een gedeelde toekomstvisie wordt leidraad in al het handelen. Met het verhaal van Amsterdam als toekomstige metropool introduceert Hemel een narratieve benadering en een regionale aanpak. In Er was eens een stad laat hij zien hoe dit in zijn werk ging en vertelt hij hoe zijn persoonlijke helden Patrick Geddes, Theo van Lohuizen, Jane Jacobs, John Friedmann, Dirk Frieling en James Throgmorton hem steeds weer inspireerden. Dit boek vormt het magnum opus van het resultaat van zijn veertigjarige carrire als planoloog. 'Er was eens een stad' demonstreert hoe visionaire planning in een steeds complexere wereld met bescheiden interventies voor grote verandering kan zorgen.
Planologie begon met luisteren en observeren (Geddes). Daarna lange periode van niet luisteren, menselijke maat niet in acht nemen, vooral planologie die economische voorspoed moet faciliteren. Zef Hemel zijn pleidooi, een lang verhaal kort; ga weer luisteren naar bewoners, omwonenden, mensen en breng dat weer terug in plannenmakerij