Geen hond kent tegenwoordig nog de geweldige Servo- Kroatische schrijver Danilo Kis (1935- 1989). Laat staan zijn meesterlijke trilogie "Tuin, as", "Kinderleed" en "Zandloper" (gebundeld als "Familiecircus") en zijn schitterende verhalenbundels "Een grafmonument voor Boris Davidovitsj" en "Encyclopedie van de doden". Dus is het toe te juichen dat er nu een bundeling van zijn essays verschenen is, "Homo Poëticus", mooi vertaald door Reina Dokter en Pavle Trkulja. En bovendien met erg verhelderende eindnoten en een ronduit voorbeeldig nawoord van Guido Snel. Dit is een heerlijke bundel voor idolate Kis- fans zoals ik, omdat hij nieuwe betekenislagen laat zien van Kis' romans en verhalenbundels. Maar hij is misschien ook geschikt als eerste kennismaking, want de essays en interviews in deze bundel fonkelen volop door hun stijl en denkkracht, en ook door hun zo gevarieerde en speelse vorm.
Literatuur, zo zegt Kis, "geeft zin aan de vergeefsheid van het bestaan". En: "de fundamentele kwestie van de literatuur, trouwens ook die van de filosofie, is de kwestie van de zin van het leven en een diepe twijfel aan alle waarheden: een poging om te midden van de efemeriden van het menselijk bestaan iets van betekenis te ontwaren". Maar literatuur heft die efemere en vluchtige betekenisloosheid niet op, en maakt ook geen eind aan de vergeefsheid, maar werpt er een ander en nieuw licht op. De literatuur waar Kis van houdt is namelijk "bewust van een voor altijd verloren eenheid, en daarmee verzoend. Bewust dat ze is veroordeeld tot het fragmentarische, maar met het verlangen om JUIST DOOR DAT FRAGMENTARISCHE een integrale visie op de wereld en de mens te geven". Dat is gans anders dan de eenheid en het optimisme van de ideologieën, die zich van abstracties en gemeenplaatsen bedienen en dus "een vorm van mist, staar voor de ogen, een obstakel voor het zien en kijken" opwerpen. Kis zoekt juist nadrukkelijk naar literaire vormexperimenten die alle abstracties en gemeenplaatsen doorbreken omdat zij alles ongewoon maken, zodat ook de normale verbanden tussen woorden hun dingen hun al te routineuze karakter verliezen. En die defamiliarisatie, hangt samen met "de plicht van de kunstenaar om goed te zien, dat wil zeggen anders te zien". Dus om de mist en de staar voor de ogen radicaal te verhelderen met een vervreemdend nieuw licht. Een licht dat de fragmentatie van de wereld in zijn volle glorie en zijn volle ellende toont, dat de efemeriden ten volle laat glanzen terwijl we die normaal niet eens opmerken, dat wel voluit ruimte geeft aan de twijfel die door ideologen geloochend wordt, en dat niet inzoomt op de abstracte algemeenheid maar op het individuele en afwijkende.
Kis zelf kiest in zijn boven genoemde meesterwerken dan ook nadrukkelijk voor experimenten in stijl en vorm, en laat zich daarbij op originele wijze inspireren door erkende vernieuwers als Joyce, Borges, Schulz. Tegelijk gaan veel verhalen in "Een grafmonument voor Boris Davidovitsj" over de Russische strafkampen. En de hierboven genoemde trilogie gaat over Kis' vader die, als genaturaliseerde jood, zijn leven lang op de dool was, diverse gruwelijke razzia's aan den lijve ondervond, en die uiteindelijk is omgekomen in Auschwitz. Kis' experimentele stijl en vorm is duidelijk een statement contra alle ideologie die het afwijkende en individuele miskent en soms zelfs vernietigt. Maar ook contra onze al te versimpelende blik, die zich ook vaak van gemeenplaatsen en abstracta bedient. En precies die blik wil Kis ontregelen met zijn "defamiliariserende" en vreemd makende experimenten: associatieve en camera- achtige points of view bijvoorbeeld waar de lezer sentiment verwacht; spel met gefingeerde documenten en citaten terwijl je als lezer op zoek bent naar solidere houvasten; lange opsommingen van ogenschijnlijk nauwelijks met elkaar verband houdende voorwerpen in plaats van een conclusie of een pointe. Zodat de tekst, ondanks de enorm traumatiserende en navrante vertelstof, toch niet bezwijkt aan sentimentaliteit of aan de gemeenplaats van tranen trekkende dramatiek en treurig klinkende violen. Bovendien, juist door die experimentele en gefragmenteerde stijl blijft Eduard Kis de onbekende eenling die hij voor Danilo Kis was. In feite herschept Danilo Kis hem zelfs tot het personage Eduard Sam, wel en niet gelijk aan zijn vader, deels de projectie van zijn eigen experimentele en tastende verbeeldingskracht. Want alleen zo kom Danilo Kis recht doen aan dit raadselachtige, gebroken, unieke en gefragmenteerde leven. Dat hij dus nadrukkelijk ALS gefragmenteerd leven laat zien, door bewust te kiezen voor een niet- conventionele, vreemd- makende vorm.
Dat is dus, heel erg kort door de bocht samengevat, zo ongeveer de inzet van Kis' prachtige romans en verhalenbundels. En die inzet ben ik door deze essays nog beter gaan begrijpen en doorvoelen. Want Kis zegt daarin erg intrigerende dingen over de autobiografische en biografische achtergronden van zijn boeken, en hoe hij die achtergronden herschiep in vervreemdende fictie. Hij geeft ons bovendien mooie gedachten mee over bijvoorbeeld de epifanie bij Joyce, de stijl en overtuigingen van Nabokov, de opsomming als stijlkenmerk van Rabelais en Borges, de ironie van Thomas Mann, en over aard en waarde van literatuur in zijn algemeenheid. Zijn afkeer van ideologen is opmerkelijk eloquent, zijn polemieken tegen nationalisme en provincialisme zijn vonkend, en zijn pleidooi voor pluralisme en twijfel is ronduit inspirerend. Plezierig is ook hoe deze essays ook zelf spelen met hun eigen stijl en vorm, waardoor zij Kis' voorliefde voor pluralisme en vormexperiment nog extra kracht bijzetten. Maar zelf was ik vooral opgetogen over het voor mij nieuwe licht dat Kis hier werpt op zijn eigen verhalenbundels en romans. Ik hoop dat die binnenkort weer opnieuw uitgegeven worden. En ik heb enorme zin gekregen om die romans en verhalenbundels weer eens te herlezen.