Best aardig boek waarin Luyendijk door middel van zelfreflectie op zijn 'wij-groep', en het feit dat niet iedereen binnen die groep deze groep als zodanig herkent, probeert een hand in eigen boezem te steken.
Is iets van wat hij in het boek zegt nieuw? Nee. Het wordt al (heel) lang door velen naar voren gebracht. Kan het boek toch bijdragen bij de bewustwording? Ja. Zoals hij aangeeft, kan ook hier de treurige conclusie zijn dat er beter wordt geluisterd naar een witte man. Claimt hij daarmee als witte man niet weer ten onrechte het debat, zoals sommige critici naar voren brengen? Misschien. Maar wat nodig is, is nodig. Zelfreflectie is daar een voorwaarde voor. Ook merkt hij terecht op: "Alsof ongelijke behandeling alleen gaat over degenen die ongelijk worden behandeld, en niet over degenen die ongelijk behandelen."
De onwetenschappelijke benadering van het boek is soms wat storend. De zeven vinkjes beschrijven kenmerken die hij zelf bij elkaar heeft gezocht. Het halen van gymnasium/vwo en universiteit zijn twee vinkjes, maar omdat het eerste een voorwaarde is voor het tweede lijkt hier sprake van een soort dubbeltelling. Andere kenmerken die bepalen of je wel of niet makkelijk kan doorstromen naar een positie van status, zijn in het boek soms wel zijdeling benoemd, maar zijn niet als vinkje opgenomen: je achternaam, je accent, je religie, je fysieke beperkingen, om maar wat te noemen. Waar de grens ligt tussen de eigenschappen die wel en niet tot een vinkje hebben geleid, lijkt daarmee arbitrair. Dit doet overigens niet af aan de algemene conclusie, dat je verzameling kenmerken je bepaalde privileges geeft. Intersectionele theorieën van diversiteit, heel wat ouder dan Luyendijks boek, beschrijven dit omvattender. Hij verzuimt hieraan te refereren.
De opsomming van namen (welke prominenten hebben allemaal zeven vinkjes) dient ongetwijfeld als illustratie, maar vind ik wat zwak. Ongetwijfeld is het mogelijk een lijst van gelijke omvang te publiceren van prominenten die maar weinig vinkjes hebben. Het heeft geen statistische waarde. Bovendien gaat Luyendijk in voorkomende gevallen over op een uitleg waarom iemand weliswaar geen zeven vinkjes heeft, maar het toch als zodanig zou kunnen gelden. En hier zit hem een beetje de crux: ook de zeven vinkjes beperken ons beeld van diversiteit, omdat het veel breder is dan dat. Luyendijk beseft dat, in elk geval in theorie, en roept op tot een brede benadering van diversiteit.
Ondanks de wat rammelende theoretische onderbouwing is de boodschap van het boek helder: wij mensen op gepriviligeerde posities hebben onze status niet te danken aan ons eigen harde werk, maar aan de voordelen die het leven ons toevalligerwijze bood. Dat we dat desalniettemin denken dat we alles aan onszelf te danken hebben, komt niet per se voort uit een slechte intentie, maar ook uit het feit dat 'mannen zoals ik een jeugd lang worden aangespoord en getraind zich te laten gelden en ruimte in te nemen, zo nodig ten koste van anderen'.
Hiermee wordt ook meteen duidelijk dat de oplossing van zulke ongelijke kansen niet in het individuele ligt, maar er een maatschappelijke omslag nodig is in denken en handelen. Dit begint bij inzicht en erkenning, en dit boek kan daar, ondanks de tekortkomingen, aan bijdragen.