Stilistisch bijzonder sterk verhaal, gelaagd en veelzijdig, en bovendien gegrond in bijzonder interessante analyses van de geschiedenis van de mensheid en de landbouw. Deze auteur zou geweldige historische romans kunnen schrijven, en dat is deze roman ook tot op zekere hoogte. Maar daarnaast is het ook een betoog, een tweeledig betoog zelfs, gericht op landbouw en veredeling, en gericht op de perceptie van de vrouw. Ik vind het boek het sterkst in haar aardse en spirituele verhalen, de verhalen over de oertijd, de trip op moederkoorn (het paleolithische LSD); daarmee verweven zijn allerlei biologisch, ecologische en geschiedkundige analyses over landbouw en natuur, de rol van veredeling, hoe diersoorten door hun omgeving worden bepaald, hoe de mens de natuur heeft gedomesticeerd en daarmee zichzelf. Het thema van seksualiteit en genderidentiteit is door de auteur knap verweven met het thema landbouw, maar daar begint het boek me soms te irriteren (disclaimer: ik ben een witte cis-man van middelbare leeftijd), omdat de hoofdpersonen, zowel de ik-persoon Elke als de voorouders, vaak ideeën op de omgeving projecteren, en vervolgens de omgeving die projecties verwijten. De ik-persoon Elke ervaart een conflict met de wereld (namelijk dat de wereld haar vaak voor man aanziet, terwijl ze zichzelf als vrouw ervaart) en concludeert daaruit dat zij of de wereld in de war moet zijn - per se een van de twee - en dat zij van de wereld niet mag bestaan. Ze moet daarom aantonen (door het verwilderen van erwten) dat het de wereld is, die in de war is; want alleen dan mag ze bestaan. Maar dat er misschien helemaal niemand in de war is, dat er ook een conflict tussen perspectieven en verwachtingen van mensen kan bestaan zonder dat er iemand gek is, dat er vergissingen bestaan, dat een conflict niet betekent dat een van beide partijen niet mag bestaan, etc, dat komt allemaal niet op. In plaats daarvan wordt een stropop gecreëerd voor de eensgezind afwijzende opinie van de wereld, namelijk "de vrouw die ik nooit werd", die haar continu achtervolgt (letterlijk, ze zit achter bij haar op de tandem), en die zich zodanig in platitudes en dwingende bevelen uit dat ze door de ik-persoon wel moet worden verstoten. Maar "de vrouw die ik nooit werd" is een projectie, een creatie van de hoofdpersoon. Zo lijkt de ik-persoon continu meer in gevecht met haar eigen projecties dan met de wereld. Wat wellicht getriggerd is door de zeer concrete crisis waarin ze zich bevindt; een werk van zeven jaar is totaal nutteloos gebleken. Dit resulteert in een identiteitscrisis, die ermee begint dat ze inziet dat veredelen betekent dat je wilde, onafhankelijke natuurwezens afhankelijk en kwetsbaar maakt (tot voedsel voor anderen); en dat betrekt ze ook op zichzelf.
Bij de neiging tot projectie past dat het stijlmiddel van personificatie veel wordt toegepast; alle levenloze dingen zijn levend en blijken vaak een oordeel te hebben over hun omgeving, of verhouden zich in menselijke termen tot de ik-persoon ("De spinnen hebben huidhonger, ze azen op mijn blote voeten.") Op zeker moment reikt de projectie zelfs tot de lezer: "Wacht. We merken dat je afhaakt. Daar hebben wij heel toevallig een zesde zintuig voor (…)”. Bloedirritant, want ik was op dat punt in het verhaal juist even heel erg geboeid door het verhaal van Ra. "Hou je projecties bij je!" dacht ik.
Maar ondertussen beschrijft de auteur dit alles wel op een schitterende manier en weet ze alles met alles te verbinden, in overeenstemming met haar visie op de natuur, waar - met name onder de grond - alles met alles is verbonden. Alle concrete gebeurtenissen worden gemythologiseerd, en veel personages, Vincent, Werner, oom Frits, de dominee Wanda, komen met hun eigen mythologische verhalen, die door alle personages in dezelfde stijl worden verteld. Er is eigenlijk maar 1 vertelstem, die voor iedereen wordt gebruikt. Maar het is wel een goede vertelstem.
Soms loopt het metaforisch een beetje uit de hand. De auteur is heel sterk in woordenrijkdom en keuze van zelfstandige naamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden, maar soms gaat het wringen, wordt het overdadig, gekunsteld: "Zijn schouders zakten centimeters. Dat veelkoppige treursel baande zich een weg omhoog, passeerde maag na maag, daarna de slokdarm, hij boerde het op als een te herkauwen klont gras. Maar het bereikte nooit zijn malende kiezen, het steeg op, trok een waas voor zijn ogen, woedde rond tussen zijn hoorns." Een treursel verbeeld als een klont gras, dat is al niet een heel sterk beeld, maar een klont gras die na het opboeren niet de kiezen bereikt maar opstijgt in de lucht en tussen de horens blijft zweven, dat is een vreselijk beeld. Daar staan gelukkig eindeloos veel fraaie, minder gekunstelde beelden tegenover, bv tijdens een nacht aan zee: "Het is donker, maar de zee en de maan spelen een potje pong en ketsen eindeloos het beetje licht heen en weer."
De zinnelijke en rijke beschrijvingen van landbouw, natuurprocessen, de beschrijving van geladen gebeurtenissen vind ik het sterkste van dit boek. De metaforiek is het sterkste als hij impliciet is. Hoe alles met alles in verbinding wordt gebracht, hoe elke fysieke gebeurtenis weer metafoor wordt voor een psychologische gebeurtenis of parallelle geschiedenis, is knap gedaan, maar soms wat overdadig, gezocht. De auteur trekt alles uit de kast en legt veel uit. Vooral als de ik-persoon fanatiek bezig is om te "bewijzen" dat ze niet in de war is, wordt de betooglijn en de stijl juist een tikje warrig, terwijl de eerste twee hoofdstukken, die zuiver verhalend zijn, kristalhelder zijn. De ik-persoon (en, zoals uit interviews blijkt, de auteur) lijkt de intentie te hebben om te bewijzen dat geslachtelijkheid net zo maakbaar is als de eigenschappen van erwten; de veredeling van planten, die vaak tweeslachtig zijn, wordt met de veredeling van mensen gelijkgetrokken. Daarom wil de ik-persoon erwten en daarmee zichzelf gaan verwilderen, terug naar de toestand van voor de landbouw; de tijd van jagers-verzamelaars, toen er nog een stiergod was die half mens (man), half stier was, waarin je kennelijk nog je natuurlijke zelf mocht zijn. Maar daar zit een rare tegenstrijdigheid: want mensen zijn zoogdieren en geen planten (net als die stier, waarmee de ik-persoon zich identificeert), en bij zoogdieren geschiedt de voortplanting al honderd miljoen jaar via de dualiteit M/F. De ik-persoon betoogt dat eenheid en verbinding in de natuur dominant is en dat de dualiteit van geslacht ("als die al bestaat") daarom slechts beperkt geldig is. Maar in de wereld van zoogdieren is het ook de dualiteit, de verschillen, die veelal zorgen voor die aantrekking en verbinding, die het groepsverband sterken, die onderdeel zijn van het weefwerk - wat wil niet zeggen dat er geen uitzonderingen en verfijningen mogelijk zijn die los van die dualiteit staan. De betooglijn over ecologie, landbouw, natuur, veredeling, is overtuigender wat mij betreft dan het betoog over sekse en identiteit. Maar goed, ik pas nogal makkelijk in het traditionele patroon, dus ik heb makkelijk praten. Ondertussen is het een rijk boek, zowel inhoudelijk als stilistisch. Het boek maakt heel duidelijk waarom de chemische landbouw principieel problematisch is, en geeft een duidelijke vingerwijzing voor oplossing van het stikstof- en biodiversiteitsprobleem.