Het naoorlogse oordeel over de Joodsche Raad van Amsterdam was zo genadeloos dat het een scheldwoord is geworden: Joodse Raad als symbool van boosaardig opportunisme van een elite die eigen mensen laat afvoeren en vermoorden, om zelf te overleven. De laagste vorm van collaboratie, in die zin, en zo werd het ook beschreven door de twee historici die in de jaren zestig de collectieve nationale herinnering aan de oorlog boetseerden: Jacques Presser en Loe de Jong.
Bart van der Boom nodigt ons uit om alles wat we menen te weten over de Joodse Raad te vergeten en er blanco in te gaan. Hij neemt ons mee in de overwegingen en handelwijze van de twee voorzitters, David Cohen en Abraham Asscher, en probeert hun handelen te duiden vanuit het perspectief van 1941-1943 en hun eigen achtergronden.
Dan oordeel je anders.
Van der Boom rehabiliteert of verdedigt de Raad niet en windt ook geen doekjes om het feit dat zijn beleid rampzalig uitpakte, maar zijn ongekend grondige, veelzijdige en mooi opgeschreven geschiedenis laat wel zien dat het 'in real time' allemaal een stuk ingewikkelder lag dan we naoorlogs geneigd zijn te denken - en dat het besluit van de Raad om telkens weer gehoorzaam mee te werken met de bezetter in veel opzichten wel begrijpelijk was, zéker tot aan het begin van de deportaties (maar zelfs ook daarna).
De Raad was na de oorlog vooral een welkome zondebok, ook voor mensen die tijdens de oorlog achter zijn beleid hadden gestaan.
Het doel van geschiedschrijving is niet uitleggen wat mensen hadden moeten doen, maar begrijpen waarom ze deden wat ze deden - en precies daarin slaagt Van der Boom heel goed. Het resultaat is een geschiedenisboek dat het ultieme doel bereikt: je het gevoel geven dat er hierna nooit meer een ander boek over dit onderwerp hoeft te komen. Alleen al daarom: vijf sterren.
De (fantastische) tv-serie over de Raad (2024) heeft overigens een heel respectabele poging gedaan om recht te doen aan dit boek. Ook dat kun je na lezing van dit boek vaststellen.