What do you think?
Rate this book


96 pages, Hardcover
First published January 1, 2004
Alle dagen samen is een heel mooie novelle over het leven van elke dag in een West-Vlaams dorp. Markus is heel erg ziek geweest. Maar zijn hele familie heeft voor hem gezorgd, gewaakt en gebeden. Zijn ouders verwachten een broertje en zijn overgrootvader Edouard heeft op zijn 92e een “attakske” gekregen en sterft. En ook hier weer zijn ze allen samen om de begrafenis te organiseren. Doodgaan is voor Markus iets nieuws dat voor heel wat drukte zorgt, mensen komen en gaan en iedereen is druk in de weer om alles in goede banen te leiden.
Maar toch weet Markus niet hoe hij de dood eigenlijk moet plaatsen. Dood-zijn jeukt na een tijdje, dood-zijn kriebelt in zijn neus … Naar de begrafenis van Edouard moeten ook de familieleden uit Frankrijk komen. Zo ziet Markus zijn tante Julie komen, die de bloemkool wordt genoemd en zich voor de begrafenis in een zalmkleurig mantelpakje met een bijzonder decollete heeft gestoken. Natuurlijk wordt er achter haar rug over gekletst. Ze heeft haar zoon Iefke bij zich dat een snotmonster wordt genoemd, onverstaanbare klanken uitstoot en binnen korte tijd ook de potten van de cactussen van tante Cactus heeft vernield.
Wat hij vreemd vind is dat door de dood de namen van de mensen rondom hem veranderen. Zie heet nu ineens Ghislaine, overgrootvader heet Edouard en Papa wordt nu Hilaire genoemd op de overlijdensbrief.
In deze novelle wordt heel warm de liefde en de bescherming van de ouders voor hun kinderen beschreven. Er is geen overdadig comfort maar men koestert mekaar wel. Er zit misschien niet een spannende verhaallijn in het boek maar het is mooi geschreven, pure poëzie en mooie herinneringen uit vervlogen tijden. In Alle dagen samen worden de dingen echt door de ogen van het jongetje Markus bekeken en dat is zowel grappig als ontroerend.
Zo is er de vrouw die hij Swegens noemt ,omdat ze altijd haar zinnetjes beging met “'s wegens.” Die Swegens wordt nogal eens liefdevol omdat ze soms woorden als aperitiefje niet kent en daarom noemen ze een drankje in haar bijzijn portatiefje. En een tante noemt hij “Zie”, omdat ze altijd haar zinnen begint of eindigt met “zie”. Maar hij beheerst de mensentaal niet volledig en hij kan niet alle emoties benoemen die hij registreert. Hij denkt dat zijn vader en moeder lachend uit de kamer komen, waar zijn overgrootvader gestorven is, omdat ze rood omrande ogen hebben. Alles past zo mooi in mekaar en zoals we het van Erwin Mortier gewoon zijn is ook deze novelle weer een uniek kunstwerkje van taal.