Neoliberalisme is het eerste historische portret van het neoliberalisme in ons land. En passant schetsen de auteurs een verrassend beeld van de Nederlandse politiek, waarin niets is wat het lijkt.
In het publieke debat is in de loop der jaren veel kritiek geleverd op het neoliberalisme, maar wat dit neoliberalisme precies inhoudt, blijft meestal vaag. We denken al snel aan Thatcher en Reagan en aan het ruwe Anglo-Amerikaanse kapitalisme. Nederland kent echter een eigen neoliberale traditie, die veel verder teruggaat dan tot nu toe werd gedacht.
Bram Mellink en Merijn Oudenampsen onderzoeken de oorsprong en de invloed van het neoliberalisme in Nederland. Hun zoektocht voert ver buiten de Haagse kaasstolp en begint al in de jaren vijftig, toen Friedrich Hayek en een kleine club geestverwanten een nieuwe economische filosofie verkondigden: het neoliberalisme. Volgens hen moest de overheid het marktmechanisme niet corrigeren, maar juist actief aanjagen.
De Nederlandse neoliberalen richtten geen eigen politieke partij op, maar voerden een ideeënstrijd bínnen bestaande partijen en instellingen. Wat behelsde dit neoliberalisme? Welk stempel drukte het op de politiek en op de beleidsvorming?
Een fascinerend boek over iets waar ik echt beschamend weinig van wist. Een geschiedenis van de Nederlandse economische ideologieën. Waar komt het neoliberalisme in Nederland vandaan, en welke vormen heeft dat aangenomen? Heel veel nieuwe dingen geleerd (over de industriepolitiek van Drees, hoe Nederland haar welvaartsstaat uit angst voor een loonprijsspiraal, hoe technocratisch het rechtse denken in Nederland al tijden is, etcetera).
Het boek is heel erg geschreven vanuit economische ideeën (kan me goed voorstellen dat voor iemand die niet al met veel van die ideeën in aanraking is geweest dat wel vrij pittig kan zijn, maar ik genoot er wel van). Moest dit hele boek denken aan een van mijn favoriete quotes: "I don't care who writes a nation's laws or crafts its advanced treatises, if I can write its economics textbooks"- Paul A. Samuelson. Heel interessante invalshoek. Een erg fijne toevoeging aan mijn geleidelijk vormende overtuiging dat er een hele intense (en extreme) ideologie in een heel groot deel van Nederland heerst waar we het gewoon niet over hebben.
Verder was het ook gewoon een geschiedenislesje van Nederlandse politiek in het algemeen. Een heleboel namen (ben de helft al weer vergeten), maar blij dat ik dat gelezen heb.
Een stevig onderzoek dat erin slaagt internationale historiografische tendenzen toe te passen op de lokale context, om zo het internationale debat te verrijken met een nieuwe case-study en theoretische herziening. Over de vraag of het neoliberalisme voornamelijk als ideologie dan wel politieke pragmatiek moet worden beschouwd, kan de Nederlandse case-study minder duidelijkheid scheppen. Dat komt door het simpele feit dat het neoliberalisme in Nederland zowel een sterke ideologische als politieke basis hadden, die sterk met elkaar vervlochten was (in contrast met België, bijvoorbeeld). Dat was evenwel niet het geval tussen de jaren ’30 en ’70. Het deed me initieel vrezen dat dit boek een louter intellectuele geschiedenis ging zijn van Nederlandse neoliberalen. Gelukkig was dat niet het geval: door het prisma van het neoliberalisme zijn de auteurs erin geslaagd de Nederlandse post-WWII politieke economie te bevatten.
Wat ik voornamelijk onthoud uit die geschiedenis is de bevreemdende afwijkingen en overlappingen met het Belgische traject. Grofweg is het traject helemaal anders voor de crisis van de jaren ’70, maar sinds de jaren ’80 praktisch overlappend (en dat tot op zekere hoogte tot op vandaag, ware het niet dat enkele veranderingen zich in België geënt hebben op de breuklijn van het vlaams-nationalisme). Tussen 1945 en 1973 kunnen we in Nederland eigenlijk amper van een keynesiaanse periode spreken. Om de industrialisering van Nederland mogelijk te maken, werd competitiviteit op de wereldmarkt meteen een top prioriteit. Daarvoor waren loonstagnering en milde overheidsuitgaven belangrijk. Het was daarentegen ook een gedepolitiseerd fenomeen: PvdA was één van de belangrijkste uitrollers van dit beleid. In de langetermijn geschiedenis was voor Nederland zo’n industrieel catching-up proces nodig, nadat het vroegmodern, financieel kapitaal van Amsterdam de negentiende eeuw had verspild aan speculatieve stagnering in plaats van ingrijpende industrialisering. We kunnen Nederland met haar boekhoudersmentaliteit van na 1945 daarom beter vergelijken met Duitsland dan België. In België groeide de economie namelijk door hogere lonen en een grote uitrol van de sociale zekerheid, terwijl de mature industrieën stagneerden.
De belangrijkste politieke strijd in deze periode gebeurde binnen die consensus van loonstagnering. De linkervleugel wilde lonen matigen, maar de extra winsten van industrialisering gebruiken om publieke voorzieningen uit te breiden voor allen. Zodoende werden de arbeiders niet “vet en lui” van private consumptie, maar werd het leven er wel beter op. Daartegenover stonden de (neo)liberalen die het particulier eigendom wilden stimuleren.
Vanaf de jaren ’60 werd ietwat van een welvaartsconsensus uitgebouwd, maar niet door de sociaal democraten. Na 1959 ging de PvdA in de oppositie en nam een werkgeverscoalitie het over. Door het nijpend tekort aan arbeidskrachten door industrialisering werd geleide loonpolitiek onhoudbaar (werkgevers begonnen extra ‘zwart loon’ uit te betalen). De regering begon dan ook met loonliberalisaties waarvan verwacht werd dat ze de lonen serieus zou gaan stimuleren. Dit was evenwel tegen de wens van de vakbonden wiens politieke rol in loonpolitiek daarmee werd ondergraven. Algemeen werd gevreesd voor een loon-prijsspiraal, dat een decennium voor de crisis van de jaren ’70. Het is dan ook in deze context dat de droom van de PvdA voor een collectieve welvaartstaat werd uitgebouwd door rechtse kabinetten, uit vrees om die spiraal te voeden door loonliberalisatie. Tegelijkertijd werden heel wat normen geïntroduceerd die de overheidsuitgaven moesten beperken en/of afstemmen op de economische groei.
Vanaf mei 1973 lijkt het Nederlandse verhaal dan weer goed op het Belgische. Een Rooms-rode coalitie met PvdA’er Den Uyl als leider nam het voortouw in de bestrijding van de jaren ’70. Hoewel links hier, meer dan haar Belgische evenknie, het probleem van loon-prijsspiraal meteen aanvaardde door verder te zetten op het “sociale zekerheid voor loonmatiging”-beleid, werd het keynesianisme omarmt als de oplossing voor de crisis. En daarmee was Den Uyl eigenlijk de enige Nederlandse Keynesiaan die ooit heeft bestaan. Het is hier dat de neoliberalen opmars maakten en de crisis gebruikten om hun theorieën als oplossingsformules naar voren te schuiven. Het klassieke pressiegroepen-discours. Echter, ze sloegen er nog niet in om de (zwakke) politieke beloftes te breken: in 1977 werd onder leiding van Van Agt een christendemocratische-liberale coalitie opgezet die “Bestek ‘81” wilde implementeren, een harde besparingsronde. Dit stootte op verzet van de linkse vleugel van de christendemocraten en de harde opstelling van Wim Kok, toen nog bij de vakbond. De bezuinigingen werden afgezwakt. Van Agt II (met D66 en PvdA in plaats van VVD) en III (met D66 nadat PvdA zich terugtrok in 1981) werden ook geen besparingsregeringen.
Het was maar in november 1982, een klein jaar na de regering Martens V in België, dat met Lubbers I het CDA en VVD eindelijk konden beginnen besparen. Dat wordt maar al te snel gelinkt aan het zogenaamde Akkoord van Wassenaar uit 1982, waaruit de mythe van het “poldermodel” van overleg tussen werkgevers en werknemers komt. Volgens de auteurs moeten we echter kijken naar de commissie-Wagner in plaats van Wassenaar, waar ambtenaren en werkgevers besparingen en anti-keynesiaans beleid al hadden voorbereid. De macht van de klassenverhoudingen was al duidelijk nog voor er een akkoord met werknemers was. Dat Wagner werd geleid door de ex-topman van Shell is veelzeggend. Maar cruciaal was dat het de marktgerichte vleugel van de vakbond aan zich bond, zodat het een bres kon slaan in het vakbondsfront. Bijna één op één het Belgische verhaal. Een ronde besparingen en loonmatiging onder het mom van “nieuwe zakelijkheid” werd nu realiteit. Lubbers was echter geen hardcore neoliberaal, en hij stuurde later de CDA weer bij naar de PvdA, nadat hij had gezegd tegen Ruding: “ Je gaat met te forse bezuinigingen in je eigen staart bijten”.
Uiteindelijk bracht het Lubbers III met CDA en de “derde weg” PvdA van Wim Kok in de stellingen. Het is het begin van de “actieve welvaartstaat”. Na 1993 gaf het zelf de mogelijkheid tot het vormen van een paars kabinet in 1994 van PvdA, D66 en VVD, net zoals ook gebeurde in België met de regeringen Verhofstadt. Bolkestein, leider van het VVD, zou in een speech in Brugge afvragen “wat de sociaaldemocraten nog onderscheidt van de liberalen”. Ik had het niet zelf beter kunnen samenvatten. En heel leerzaam voor een gelijkaardige geschiedenis van het Belgische neoliberalisme.
Als laatste, een heel erg leerzame invalshoek van de auteurs hier was de focus op bepaalde instituten in het staatsapparaat als uitdragers van de concrete politiek van het Nederlandse neoliberalisme. Verschanst in het ministerie van Financiën en de Nationale Bank, wogen neoliberale topambtenaren bewust op het publieke debat en de interne politieke verhoudingen. Dat is op prachtige wijze hier in beeld gebracht, en moet absoluut ook gebeuren voor andere landen. In het geval van België is dat zeker ook het geval met de Nationale Bank, maar verder is die piste nog niet onderzocht. Het ligt ook in lijn met de visie van Simon Clarke, dat het neoliberalisme (maar ook: de herschepping van de kapitalistische staat en het keynesianisme) niet van poppenspelers van kapitalistische broodheren kwam, maar van ambtenaren die beleid implementeerden vanuit motivaties voor het “algemeen belang”. Een cruciaal inzicht.
Is het echt allemaal keynesianisme of neoliberalisme?
De gehele naoorlogse politieke economische geschiedenis wordt door de auteurs in een neoliberaal versus keynesiaans frame gegoten. Dit werkt goed om te laten zien hoe deze ideologieën het economisch beleid in Nederland hebben beinvloed. Leerzaam was het om te zien hoe het soms totaal debiele neoliberale beleid tot stand kwam met argumenten van buitenlandse neoliberale economen. En verbazend was het om te zien hoeveel politici een zeer kleine overheid een goed idee vonden.
Over het keynesianisme, wat in het boek staat voor alles wat niet neoliberaal is, is het boek echter te mild. Onder het mom van deze ideologie is ook slecht beleid gevoerd. Een grotere overheid is echt niet altijd beter. De welvaartstaat kan door inefficienties veel welvaart kosten. Ook worden goede inzichten van neoliberalisme niet of amper behandeld. Het misschien meer neoliberale begrip 'productiviteit' ben ik volgens mij niet tegengekomen in het boek.
Maar de vraag die ik vooral heb is: In hoeverre werkt het frame van de auteurs? Wordt beleid wel zo erg beïnvloedt door neoliberalisme dan wel keynesianisme? Het klopt dat beleidseconomen vaak (onbewust) een ideologie aanhangen. Maar er bestaat ook zoiets als empirie die laat zien wat wel en niet werkt - wat veel gebruikt wordt om na te denken over economisch beleid.
Daarnaast denk ik dat, in tegenstelling tot wat in dit boek wordt gesuggereerd, er vrij veel overlap is tussen de ideologieën. Een synthese is mogelijk: Vaak worden keynesiaanse ideeën gebruikt om de economie op de korte termijn te verklaren, terwijl het meer neoliberale aanboddenken juist handig is om op langere termijn naar het groeipotentieel van de economie te kijken. In het boek raken deze ideologieën elkaar nooit. Hoe de neoliberaal Zalm een keynesiaanse begrotingsregel (de Zalmnorm) kon invoeren wordt bijvoorbeeld niet behandeld.
Kortom, het boek geeft een mooi overzicht. Maar het frame dat ze maken knelt. Meer ruimte over hoe empirie of andere academische inzichten de ideologieën hebben beinvloed had ons meer kunnen vertellen hoe het zit met het door velen verafschuwde neoliberalisme in Nederland.
Neoliberalisme (2022) is een uitstekend historisch werk over de wortels van het neoliberale denken in het Nederland. Mellink en Oudenampsen traceren de personen, hun netwerken en functies, en de ontwikkeling van denkbeelden doorheen de tijd - en laten hierbij de economische en maatschappelijke effecten van het neoliberale denken buiten beschouwing. Deze keuze zorgt voor een focus in het onderzoek en daarmee voor een heldere historische lijn.
Het gangbare narratief is dat het neoliberalisme in de jaren tachtig opkwam in Amerika en Engeland, met Reagan en Thatcher als boegbeelden, en dat Nederland onder leiding van Lubbers en later Kok deze neoliberale lijn kopieerde. Deze ontwikkeling zou dan een terugkeer zijn naar het liberale 'laissez faire-kapitalisme' van voor de Beurskrach in 1929.
Mellink en Oudenampsen ontkrachten dit narratief en tonen aan dat (1) neoliberalisme al vanaf de jaren dertig in Nederland haar aanhangers kende; (2) dat het neoliberale denken allereerst leefde (en leeft) binnen de wetenschap en ambtenarij en dat via deze weg de politiek is beïnvloed (en dus niet andersom!); (3) dat neoliberalen meer gemeen hebben met socialisten dan met klassiek liberalen.
(1) Nederland kent een lange en invloedrijke geschiedenis in het neoliberale denken en is in die zin één van de grondleggende sferen van het neoliberalisme. Al in de jaren dertig richten rijke industriëlen, journalisten en economen ideologische netwerken op die de pers bewerken (soms zelfs via het opkopen van kranten en tijdschriften en het vervangen van de hoofdredacties) in de hoop de politiek te beïnvloeden. Dit lukt maar mondjesmaat in eerste instantie. Nederland speelt ook een belangrijke rol in de vormingsjaren van de 'neoliberale internationale' Mont Pelerin Society waar o.a. Friedrich Hayek en later Milton Friedman hoofdrollen spelen.
(Het neoliberalisme was in algemene zin een reactie op de Beurskrach van 1929 en de daaropvolgende Grote Depressie. Socialisten én neoliberalen vonden dat de overheid de economische teugels te veel hadden laten vieren onder het liberalisme: het was nu tijd voor overheidsingrijpen op respectievelijk de vraagzijde (Keynes) en de aanbodzijde (Hayek).)
(2) Het gangbare idee is dat neoliberale politici in de jaren tachtig de macht grepen en de wetenschap en ambtenarij naar hun hand hebben hebben gezet. In werkelijkheid is het precies andersom: juist binnen de ambtenarij en de (economische) wetenschap is het neoliberale gedachtengoed al vanaf de jaren vijftig invloedrijk en steeds dominanter en zorgen informele netwerken rondom invloedrijke ambtenaren en economen in de bureaucratie voor het sturen van politiek beleid. Het zijn de allerhande commissies, raden en adviesclubs die de dienst uitmaken en niet de komende en gaande politici. Een beroemde casus is Ruud Lubbers, die in de geschiedschrijving als neoliberale trendbreuk met het keynesiaanse verleden wordt getypeerd. In werkelijkheid was Lubbers nogal pragmatisch en ideologisch ongekleurd en waren het vooral zijn topambtenaren (m.n. op Financiën en Economische Zaken) die het neoliberale beleid vormgaven.
(3) Neoliberalen worden vaak afgeschilderd als politieke tegenstanders van het socialisme. Gek genoeg blijft deze mythe in stand, terwijl ze makkelijk te doorprikken is. Zowel socialisten als neoliberalen pleiten voor een grote, invloedrijke en actieve overheid - het verschil zit in de kant van de economie waarop de overheid ingrijpt: socialisten pleiten voor overheidsingrijpen in de vraagzijde (dus werkgelegenheid en sociale zekerheid) terwijl neoliberalen pleiten voor overheidsingrijpen in de aanbodzijde (dus lage belastingen en veel marktwerking). Klassiek liberalen pleiten daarentegen voor een nachtwakersstaat: de overheid dient zich enkel bezig te houden met kerntaken (defensie, politie, justitie en eventueel onderwijs) en verder burgers en bedrijven vrij te laten.
(4) De naoorlogse geschiedenis van Nederland kenmerkt zich door conservatieve regeringen die steeds meer sociale zekerheid inbouwden (o.a. de algemene ouderdomswet, de bijstandswet, sociale woningbouw, etc.) in ruil voor loonmatiging van de arbeider. Nederland moest een exportland worden om haar wederopbouw te financieren en dit vereiste een gunstige internationale concurrentiepositie - lage lonen dus. Dit recept was zo succesvol dat de arbeidsmarkt na 15 jaar de vraag niet meer aankon en de economie tegen haar grenzen liep. Vanaf dit moment ontstaat er een ideologische crisis - ook omdat ad hoc maatregelen zoals import van goedkope arbeid slechts kortstondig effect sorteerden - die in de jaren zeventig een radicalisering van het neoliberale denken oplevert. Economische groei was (en is) het doel, het middel: wet- en regelgeving gericht op implementatie en bevordering van marktwerking. Dus: een flexibele arbeidsmarkt met zo laag mogelijke lonen, zo min mogelijk belasting op vermogen (op arbeid daarentegen...), zo min mogelijk regels voor bedrijven en de financiële markten en het maximaal verzelfstandigen en privatiseren van overheidstaken (zoals zorg, openbaar vervoer, onderwijs, etc.).
Dit lijkt 'liberaal' maar in werkelijkheid is dit socialisme gericht op de aanbodzijde. De overheid krimpt niet, maar blijft juist invloedrijk en (hyper)actief om overal markten te installeren en deze in de 'juiste' richting te ontwikkelen via overheidsbeleid. Zelfs de overheid zélf wordt marktgericht geleid - het 'new public management' dat in de jaren negentig in zwang raakte, Pim Fortuyn was er bijvoorbeeld een groot fan van!
Fortuyn is overigens een saillant voorbeeld, want de man startte ooit als marxist en doorliep via de sociaaldemocratie (PvdA) en christendemocratie (CDA) de weg naar het VVD-achtige beleid dat hij rond 2002 voorstond. Dit tekent de wijde verspreiding van neoliberale ideeën in de algehele politiek: Wim Kok schudde de ideologische veren van de PvdA af en bedreef neoliberaal beleid (geadviseerd door allerlei ambtenaren en wetenschappers van PvdA-kleur die keihard neoliberaal beleid voorstonden); het CDA verving de gemeenschap voor de markt; de VVD isoleerde haar sociaal liberale vleugel onder Bolkestein (o.a. mensen als Hans Dijkstal en Joris Voorhoeve) en werd de neoliberale machtspartij pur sang; ook uitdagers van de gevestigde orde als Fortuyn en later Wilders zijn zuiver neoliberaal te noemen.
Het eindresultaat van dit alles: na 14 jaar Rutte-regeringen is Nederland volledig 'ge-neoliberaliseerd': een alsmaar uitdijende en bemoeiende overheid die voor de uitvoering van haar beleid steeds meer afhankelijk is van marktpartijen. Onder Rutte is de overheid gegroeid van 35% van het BBP in 2010 naar inmiddels meer dan 40% van het BBP; de lasten- en regeldruk zijn hoger dan ooit; en de gebieden in ons leven waar de overheid zich mee bemoeit zijn extreem toegenomen. In zekere zin is er zelfs sprake van collectivistische, communistische industriepolitiek: de overheid maakt meerjarenplannen, bepaalt productienormen en -standaarden, en dwingt top-down van alles af.
Hier is dus niets liberaals aan! Toch worden de Rutte regeringen stelselmatig 'rechts' genoemd in media en politiek. Mellink en Oudenampsen bieden met hun boek een verheldering van het debat en laten ons zien hoe het neoliberalisme voortwoekert in onze instituties en enkel een politiek gezicht krijgt door de spreekbuizen die we iedere vier jaar kiezen Ze eindigen hun boek hoopvol - de crises waar we voor staan (corona, oorlog, klimaatverandering, etc.) bieden ons een uitweg naar een alternatief economisch model - maar ik deel hun hoop niet. We hebben te maken met machtige en stugge netwerken in de hoogste top van de ambtenarij en de economische universitaire faculteiten.
Aanrader voor iedereen die iets van politiek en/of bestuur vindt of wil vinden. Het is een geschiedenisboek en helaas voor het grootste deel wat droog opgeschreven. De schrijfstijl had wat levendiger gekund naar mijn idee.
Inzichtelijk overzicht van de geschiedenis van het neoliberalisme in Nederland dat veel eerder is begonnen dan vaak wordt gesteld. Dit boek laat zien hoe veel zaken die we nu als vanzelfsprekend zien (en dit schrijf ik zowel als burger als ambtenaar) een lange voorgeschiedenis kennen. Een voorgeschiedenis vol strijd.
Dit boek laat zien dat geen organisatie of persoon apolitiek is. Elke insteek of opvatting is doordrongen van specifieke voorkennis en afwegingen alsook aannames en meningen. Een wijze les voor wie denkt dat een technocratische oplossing of oplossing uit het midden meteen neutraal is.
Zeer uitgebreide en gedetailleerde geschiedenis van het binnenlands neoliberalisme (‘de staat is slechts marktmeester’), in veel mindere mate dan vaak wordt aangenomen een Brits-Amerikaans importproduct, en de ‘holle staat’ die het heeft achtergelaten. Over de naoorlogse strijd tussen de vraageconomie en aanbodeconomie en de verzorgingsstaat versus martkwerking. Daarbij oog voor de politieke kopstukken, maar vooral ook voor de topambtenaren daarachter. Het is haast jammer dat de in dit boek beschreven geschiedenis ophoudt in 2002, want - zo schrijven de auteurs zelf - de neoliberale wervelwind van de jaren ‘90 (gek genoeg onder een PvdA-premier) kan niet los worden gezien van de opkomst van het populisme na de millenniumwisseling. Het boek eindigt optimistisch: de holle staat is slecht opgewassen tegen de crises die ons wachten, en dat biedt kansen voor nieuwe denkbeelden (waarin de rol van de overheid centraler komt te staan).
Ik ben enthousiast over deze geschiedenis van het Nederlandse neoliberalisme.
Het neoliberalisme, zo blijkt, is niet zomaar een importproduct uit de Angelsaksische wereld, maar een eigen traditie waarvan de wortels al bijna honderd jaar terug gaan. De auteurs van het boek laten dat duidelijk en goedgeschreven zien. Interessant is hoe het neoliberalisme zich grotendeels onttrokken aan het oog van het publiek in Nederland ontwikkelde en verspreidde: via economen aan universiteiten en op plekken als de top van het ministerie van Economische Zaken en Financiën.
Een van de meest inzichtgevende boeken die ik heb gelezen over de Nederlandse politiek en de (neoliberale) wereld achter de schermen. (Al heb ik er, toegegeven, niet erg veel over gelezen). En een reminder - bij de zoveelste commissie of werkgroep waaraan de politiek een probleem uitbesteedt - dat ook het ‘apolitieke’ een zekere (noem het politieke, ideologische of anderszins gevormde) gerichtheid kent.
Ik kreeg er zin van om meer te lezen en nog meer te leren over (historische) politieke economie. En te leren over welke alternatieven mogelijk zijn, welke vorm die zouden hebben en hoe die zich (kunnen) ontwikkelen en tot uitvoering komen.
Vlot geschreven en lekker lezend boek. Wat ik een prachtige ervaring vond was dat alle economisch-politieke nieuws, met de namen van degenen die daarin van belang waren, en dat ik sinds de jaren zestig ijverig heb gevolgd zonder enige kennis van het economische debat, in dit boek terug kwam, nu geplaatst in context van dat debat. Een feest der herkenning én heel verhelderend: oh, zat dat zó! Ik las het boek uit op de dag dat de VVD haar verkiezingsprogramma voor de verkiezingen van 2025 uitbracht, waarin weer hardnekkig de neoliberale mantra's zijn opgeschreven. Wat mij verraste was dat in het neoliberale debat nergens de gedachte naar voren komt dat, waar de markt als het ideale middel wordt gezien om goederen en diensten tegen de laagste (of beste?) prijs te verdelen, nooit wordt bedacht dat door de ongelijkheid een groot verschil in marktmacht ontstaat waardoor wel onrechtvaardigheden in de verdeling móeten ontstaan, die naar mijn mening uiteindelijk ook moeten leiden tot ineenstorting van het systeem. Daar helpt geen anti-kartelregelgeving tegen.
Keynes als geciteerd op p. 231 'Praktisch ingestelde mensen die zich vrij wanen van intellectuele invloeden, zijn meestal de slaaf van een of andere vergeten econoom'.
Dit boek van Mellink en Oudenampsen wil een geschiedenis schrijven van het neoliberalisme in Nederland. Volgens Mellink en Oudenampsen is neoliberalisme een vorm van liberalisme waarbij de overheid de vrije markt niet aan zijn lot overlaat. Daar is de markt te fragiel voor. In de plaats daarvan gaat de overheid de kracht van de vrije markt actief uitdragen. Mellink en Oudenampsen volgen niet zozeer de ontwikkeling van de abstracte economische filosofie, maar eerder de aanhangers ervan. Hierbij wordt voornamelijk gekeken naar de invloed van neoliberalen op de politieke besluitvorming, zowel via de lobby, denktanks en ambtenaren als via neoliberale politici.
De opzet van het boek is tragisch van aard. Mellink en Oudenampsen stellen dat het neoliberalisme begon bij de Great Depression van de jaren dertig. Ze laten zien dat er na de Tweede Wereldoorlog breed een besef leefde dat de klassiek-liberale crisisbestrijding niet moest worden herhaald. Wel viel die brede consensus uiteen in twee grote economische stromingen: het neoliberalisme en het keynesianisme, dat zich kenmerkte door een geleide economie en het bevorderen van werkgelegenheid. De VVD stond daarin eigenlijk altijd aan de zijde van de neoliberalen, terwijl de christendemocraten verdeeld waren tussen een vakbondsvleugel en een meer neoliberale vleugel, en datzelfde gold in sommige periodes voor de PvdA. Hun premier Drees zorgde na de oorlog voor een marktgerichte wederopbouw. Waar Drees een politiek van loonmatiging voerde, werd die in de jaren zestig losgelaten. De daaropvolgende loonexplosies zorgden voor angst onder politici: zou er geen loon-prijsspiraal ontstaan? In de hoop op loonmatiging besloten centrumrechtse politici dan maar collectieve voorzieningen op te bouwen, zodat de vakbonden loonmatiging zouden steunen. Mellink en Oudenampsen noemen dit 'halfhartig Keynesianisme'. Onder Den Uyl bereikte het keynesianisme zijn hoogtepunt, maar door crises en aanhoudende stagflatie ontstond een legitimiteitscrisis. Daarna was de neoliberale beer los en werd de verzorgingsstaat steeds verder uitgekleed.
Mellink en Oudenampsen bieden dus voornamelijk een historische reconstructie. Toch is het doel van het boek juist meer activistisch. De tragische opzet van het boek zorgt ervoor dat de reconstructie overkomt als een ondergang van de verzorgingsstaat, waardoor de reconstructie een impliciet appel doet op de lezer om niet te kiezen voor dit soort neoliberale politiek. Daarnaast vinden de auteurs dat de sterk keynesiaanse overtuiging van Den Uyl door de crises eigenlijk geen serieuze kans heeft gekregen. Daardoor is er in Nederland nooit meer geprobeerd dan het 'halfhartige' keynesianisme van de centrumrechtse kabinetten uit de jaren zestig. In de conclusie stellen Mellink en Oudenampsen zelfs expliciet dat de jaren van neoliberaal beleid een holle staat hebben geschapen. Ook houden zij de neoliberalen aan het eind van de reconstructie verantwoordelijk voor de populistische revolte van Fortuyn en Wilders.
... en de beoordeling
Mellink en Oudenampsen bieden een over het algemeen overtuigende historische reconstructie, die geschiedfilosofisch interessant is. De centrale stelling dat de neoliberale 'afbraak van de verzorgingsstaat' niet door de omstandigheden werd gevergd maar een gevolg was van neoliberale pressie, biedt een interessant inkijkje in de rol die ideeën spelen in de politieke praktijk. Als lezer trek ik de conclusie dat de invloed van de stand van het wetenschappelijke debat hier niet zo'n grote rol speelde. Dit komt deels door de lobby, maar ook doordat de ideeënstrijd tussen keynesianisme en neoliberalisme volgens de auteurs nooit echt definitief is beslecht.
Tegelijkertijd hanteren Mellink en Oudenampsen wat mij betreft een dubbele maat. Hoewel het waar is dat de centrumrechtse politici uit de jaren zestig geen overtuigde keynesianen waren, was hun beleid onmiskenbaar keynesiaans getoonzet. Nu is het natuurlijk mogelijk om een discussie te voeren over de vraag bij welke mate van overheidsingrijpen en collectieve voorzieningen er sprake is van écht keynesianisme, maar voor neoliberale kabinetten hanteren de auteurs aanzienlijk strengere maatstaven. Hoewel Mellink en Oudenampsen bij zowel Lubbers als Kok aangeven dat zij duidelijk rekening hielden met linksere achterban, wordt hun beleid toch als onverholen neoliberaal gepresenteerd. Waarom zou dit dan geen 'halfhartig neoliberalisme' zijn? Zijn de intenties van de beleidsmakers daarvoor dan zó beslissend?
Ook de getrokken conclusies over een holle staat gaan mij te ver. Hoewel de politieke overtuiging van de auteurs duidelijk doorschemert in de reconstructie, is die reconstructie zelf geen economisch beslissend argument. Integendeel, door de cruciale rol van de lobby van beide economische kampen en de politieke dagkoersen hebben de auteurs zojuist aangetoond dat het niet de stand van de wetenschap was die de doorslag gaf. Waarom wagen Mellink en Oudenampsen zich dan aan zo'n zwaarwegende politiek-economische conclusie die niet uit de reconstructie volgt? Ook het verwijt dat het neoliberalisme het populisme voorbereidde wordt niet onderbouwd.
Tot slot wil ik nog opmerken dat het boek ruimte laat voor vervolgonderzoek naar de PvdA. Een vraag die bij mij bleef haken, was hoe het mogelijk was dat een neoliberale sociaaldemocraat als Drees een bij zijn eigen overtuiging passende koers kon uitzetten. De SDAP had haar wortels immers in het marxisme liggen, en hoewel die wortels voor de oorlog al wat vervaagden, was er bij mijn weten geen sprake van neoliberalen binnen de SDAP. Weliswaar was de PvdA de partij van de Doorbraak en waren er daardoor niet alleen maar geharnaste sociaaldemocraten, maar via de Partij van de Vrijheid begonnen veel liberalen weer voor zichzelf. Hierdoor blijft de oorsprong van de neoliberalen binnen de PvdA wat in nevelen gehuld.
Al met al een boek dat tot nadenken aanzet, maar niet vrij is van fouten.
Boeiend boek over de geschiedenis van het Neo liberalisme in Nederland. In tegenstelling van wat velen denken is de stroming al ontstaan rond 1930 en niet pas ettelijke decennia terug. In de nabeschouwing staat een treffende zin: ideeën alleen is niet genoeg , het veranderen van instituties is nodig om ideeen in te voeren. Verplicht boek voor mensen die belangstelling hebben voor politiek en de toekomst. Zonder kennis van het verleden kun je de toekomst niet goed begrijpen.
Boeiend, spannend en ontzettend interessant boek dat de vorming van de huidige opvattingen over de functie van de staat uitlegt als een uitkomst van een politiek proces. Het neoliberalisme dat nu maatgevend is had al veel eerder invloed dan gedacht. Het boek is tevens een mooi verhaal over de rol van de politiek en de rol ban ambtenaren daarin en niet te vergeten de economische ‘wetenschap’.waarom ik hier aanhalingstekens gebruik wordt duidelijk in het boek.
Nederland is een neoliberaal land, en dat is ons probleem!, roept de linkse kandidaat. Nee, Nederland is door en door socialistisch, daar moeten we mee breken!, roept de rechtse concurrent. Ook in deze verkiezingstijd plakken politici graag dit soort politiek-economische labels op de Nederlandse samenleving. Deze termen zijn een bril waarmee je naar de werkelijkheid kunt kijken. Zet een andere bril op en de werkelijkheid kleurt anders.
Maar het verhaal achter het neoliberalisme in Nederland is veel boeiender dan dit. Deze stroming bestaat sinds de jaren dertig als tegenhanger van het klassiek liberalisme enerzijds en het keynesianisme anderzijds. Hij kwam op als reactie op de economische crisis. De internationale kopstukken van de stroming (Friedrich Hayek, Milton Friedman) waren geen Nederlanders, maar toch blies Nederland een behoorlijk partijtje mee in de neoliberale fanfare.
Dat Mellink en Oudenampsen dat in dit boek zorgvuldig reconstrueren is extra interessant vanwege de typische situatie in Nederland. In de VS waren de Republikeinen de neoliberale partij, in het VK waren de Tories dat, maar in Nederland verliep dat allemaal heel apolitiek. Neoliberaal beleid werd ontwikkeld op ministeries en bij het Centraal Planbureau. Zo kreeg het marktdenken een objectief sausje. Bovendien zaten deze gedachten niet geconcentreerd bij één partij, maar hadden alle grote middenpartijen neoliberale voortrekkers.
Het boek zette voor mij het bekende narratief over de geschiedenis van sociale voorzieningen op z’n kop. Het idee is kort door de bocht vaak dat Drees ‘big government’ heeft gecreëerd en dat Kok dat weer heeft afgebroken. Maar de meeste sociale zekerheid, en ook het minimumloon, is ingevoerd in de jaren zestig door centrumrechtse kabinetten (zonder de PvdA). In de jaren tachtig zou met het Akkoord van Wassenaar het hoogtepunt van het poldermodel zijn bereikt, maar in dat decennium zat het sociaal overleg juist in het slop. Je kunt je ook afvragen of Kok de schuldige is van doorgeschoten privatiseringen (die in werkelijkheid lang niet allemaal verkeerd hebben uitgepakt) of dat hij juist tegenwicht heeft geboden tegen rechtse geluiden dat ook zorg en onderwijs marktsectoren werden en dat 90% van de ambtenaren weg moest.
Dit soort discussies zullen we altijd blijven voeren. Zoals dat al gebeurde in de jaren tachtig, toen de hoge werkloosheid werd verklaard door te strenge of juist te slappe bezuinigingen, afhankelijk van de economische bril waardoor men keek. Dit doorwrochte en daarmee tikje saaie boek biedt een interessante kijk op dit verrassende onderwerp. Een aanrader, maar alleen voor de echte doorzetter.
Historicus Bram Mellink en socioloog Merijn Oudenampsen hebben getracht de verspreiding van het neoliberalistische gedachtengoed in Nederland in de jaren vijftig en zestig in kaart te brengen. Veel speelde zich af op de achtergrond middels persoonlijke netwerken, denktanks, instituten, en via tijdschriften en congressen. De verspreiding richtte zich vooral op het werven van aanhang binnen de universiteiten, het bedrijfsleven, en de ministeries, met name het ministerie van Economische Zaken (EZ) en van Financiën, en later ook binnen de Nederlandse Bank en het Centraal Planbureau (CPB). De hoofdstukken in het boek volgen de verschillende tijdperken en introduceren en bespreken veel van de actoren.
De schrijvers willen aantonen dat de neoliberale ideeën een lange mars door de instituties hebben afgelegd, en dat verandering van beleid ten tijde van crises alleen een kans maakt als er al nieuwe ideeën op de plank liggen, in dit geval het neoliberalisme. Het is echter zeer de vraag of de infiltratie van het neoliberale gedachtegoed zo’n grote rol heeft gespeeld. Alle neoliberale gereedschappen (monetarisme, deregulering, marktwerking, begrotingsbeleid) zijn evenzovele logische economische aanpassingen op het Keynesiaanse beleid. Daar was geen Hayek of Friedman voor nodig. Wel kun je zeggen dat ze achteraf voorspellend gelijk hebben gehad. De kredietcrisis van 2009 laat echter ook zien dat de neoliberale receptuur niet altijd succesvol is. Kortom, pragmatisme dient de boventoon te voeren.
Jammer dat de schrijvers de rol van de PvdA zo onderbelichten. Van Schuivende Panelen wordt alleen p. 68 geciteerd die gaat over inkomenssteun voor de allerlaagste inkomens. Die passage is slechts een kleine ideologische garnering bij een hoofdgerecht dat geheel bestaat uit globalisering, marktwerking, effectievere overheid, democratisering, eigen verantwoordelijkheid, etc.
Daarmee wordt de rol van de PvdA in het denken over een nieuwe benadering van de overheid weggepoetst ten gunste van de neoliberale diehards. Het is juist Kok die bewust heeft gekozen voor de marktwerking en verzelfstandiging (‘de derde weg’), en dat kwam niet alleen door de druk van Bolkestein of anderen. En zoals Kok volhield, uitgaven voor sociale zaken zijn geen overheidsuitgaven maar een inkomensherverdeling. Die herverdeling gaat dus niet ten koste van de particuliere consumptie, maar verdeelt die hoogstens op een eerlijke manier. Helaas heeft de PvdA achterban die zwenking niet kunnen volgen, en wordt alles nog steeds afgedaan met het “afschudden van de ideologische veren”.
Een goed leesbaar boek over de opkomst van het neoliberalisme in Nederland na 1945. Nederland was redelijk uniek omdat er niet echt een neoliberale partij was (zoals de Tories in UK) maar het neoliberalisme zich ontwikkelde tot een "beweging" met aanhangers binnen veel partijen, vooral gedreven door wetenschappers en belangrijke ambtenaren.
Baudet zou hier wel eens het idee voor zijn beweging kunnen hebben gehaald.
Op basis van dit boek moet je constateren dat economen van beide zijden (keynesianen en neoliberalen) hun aanbevelingen vooral baseerden op meningen en theorieen, zonder dat daar veel emperisch bewijs onder zat.
Heel goed boek. Met een langere kijk op Neoliberalisme. Maar toch blijft over dat wat ook de heersende theorie binnen het Neoliberalisme was, het vooral ging om rechtse standpunten. Lidmaatschap van Zwart Front was geen bezwaar voor vooraanstaande posities. Deze occupatie met rechtse standpunten is gebleven. Zo kunnen de dochters van de aanhanger van Milton Friedman nu geen abortus krijgen in de VS vanwege de politiek overwinning van hun ouders.
Interessant overigens, in de index komt de CPN 0 keer voor.
Een heel goed boek, een belangrijke invalshoek om de recente (politieke) geschiedenis van Nederland en de Nederlandse ‘versie’ van het neoliberalisme te begrijpen. Ideeën kunnen jarenlang broeien en dan met hulp van nota bene ‘natuurlijke tegenstanders’ in de praktijk worden gebracht. Dat is in mijn ogen dan weer een les/aansporing voor iedereen die hoopt dat een dominante denkwijze op den duur doorbroken wordt.
Lang getwijfeld of ik deze wel ging lezen: leek me behoorlijk taai en academisch voor een leesboek. Tot mijn verrassing was het dat totaal niet: scherp geschreven, toegankelijk en zeer interessant boek waar ik ontzettend veel van geleerd heb.
Sterke uiteenzetting over een onderwerp waar het vaak over gaat, maar waar we - in de Nederlandse context tenminste - maar weinig over weten. Begrijpelijk en bondig opgeschreven bovendien. Belangrijk boek over de Nederlandse politiek economische geschiedenis sinds het begin van de 19e eeuw.
Geeft een goede uitgebreide geschiedenis van Neoliberalisme in Nederland. Ongelooflijk hoe lang het er al is, en hoe het zich overal in heeft geworteld.
Interessant boek over de geschiedenis van neo liberalisme. Dat het mede in de jaren 50 de intrede deed in Nederland, vér voor Thatcher en Reagan in de jaren tachtig.
Goed onderzocht, maar droge kost die ook niet altijd even goed is opgeschreven. Less was more geweest. Geeft wel interessante inzichten, ook in het feit dat de geschiedenis zich inderdaad immer lijkt herhalen.