De navel verschuift
Er is een trend zichtbaar in schrijversland. Door twee jaar thuiszitterij door de pandemie, heeft menig auteur de wandel-schrijfcombinatie ontdekt. Het devies is simpel: je wandelt – binnen de perken van de coronamaatregelen, buiten de perken van alledaagse verbeelding – naar een willekeurige plek en schrijft op wat je tijdens de wandeling ziet, denkt en leest. Alles is toegestaan: het memoreren van eerdere reizen die je hebt gemaakt, de geur van slootwater beschrijven of cijfers opdissen over het mondiale plasticprobleem bij het zien van een weggeworpen frietbakje. Velen kunnen met deze methode een coherente column schrijven, maar wil je als auteur richting een echt boek, dan moet je verder gaan. Letterlijk en figuurlijk.
Een literair wandelboek, zo kunnen we Theunissens Ik = cartograaf best noemen, steunt vaak op de paradoxale hoop dat hoe verder je wandelt hoe dichterbij je komt. Dit moet natuurlijk symbolisch gelezen worden. Theunissen, ofthans de ik-figuur van Ik = cartograaf (ik laat autobiografische vergelijkingen achterwege), loopt vanaf een plek in Zuid-Ierland naar Istanbul en probeert met een groeiende afstand van zijn huis, ongelukkig huwelijk en twee zoontjes, meer over zijn identiteit te weten te komen. Wie is Jeroen Theunissen als hij niet zijn gewone leven in Gent leeft? Een schrijver op drift? Een wandelende vader? Een getroubleerde luxe-migrant? Een gescheiden man met vluchtgedrag? Theunissen stelt zichzelf expliciet deze vragen en probeert in het landschap dat voorbijtrekt en de geschiedenis die daarmee verbonden is enige overwegingen te maken over de aard van dit soort vragen. Antwoorden zijn er – uiteraard – niet. Anekdotes wel: te over zelfs!
Een man alleen met zijn gedachten is maar al te bekend in de literatuur. Misschien een beetje te bekend. Het is daarom logisch en ook goed dat Theunissen een volgende stap (pun not intended) zet om de neoromantische randjes wat af te veilen en autobiografische reisliteratuur interessant te maken. Door relatief onbekende geschiedkundige feitjes en anekdotes te verweven, komt de lezer hier en daar een leuk verhaal tegen dat door Theunissen uit de marge van de geschiedenis wordt gehaald en vaak aardig wordt verteld. Die verhaaltjes dienen niet enkel tot vermaak, maar moeten aanzetten tot reflectie. Theunissen laat zien dat hij kan laveren tussen micro- en macroniveau en verbindt – de ene keer wat minder geslaagd dan de andere – het kleine verhaal met het grote. Gedurende zijn wandeling komt de Europese geschiedenis van allerhande plekken bovendrijven wat er voor zorgt dat de auteur zich vragen stelt over het karakter van Europa. Is het voor hem een thuis? Zo ja, waar eindigt dat thuis? En wie mag daar in wonen? Alhoewel het een slimme zet is te reflecteren op het Europese verhaal, zodat de lezer ook iets te overdenken heeft, levert het in dit boek nogal vlakke overdenkingen op, zoals:
‘Wat een vreemde gedachte is het dat ieder binnen zijn eigen beperkte biotoop zou moeten blijven, en hoe absurd is het om opgesloten te zijn in je eigen huis, wachtend tot een pandemie zo vriendelijk wil zijn om te eindigen. Vol migranten zit onze planeet voor wie grenzen betekenisloos zijn, soms vogels, soms zoogdieren, soms reptielen, soms planten, schimmels, bomen of mensen… Wie tegen migratie is, is ook tegen de evolutie, tegen een waslijst aan soorten, tegen de mens, eigenlijk gewoon tegen het leven.’ (252)
Platitudes over het migratiedrama in Europa, grenzen die onder druk staan, de klimatologische ellende en de verwoesting van het landschap, doen Theunissens verhaal nogal verslappen. Je moet van goede huize komen om nijpende crises, zoals ook de oorlog in Oekraïne, van scherp en interessant commentaar te voorzien. Die duidingskracht draagt dit boek niet in zich, daarvoor is het te licht en te veel op het zelf gericht.
Een lezer van reisliteratuur wil best meereizen in de verhalen van de auteur, maar op voorwaarde dat een belangrijke vraag beantwoord wordt: waarom ben je vertrokken? In Theunissens geval komen we daar niet helemaal achter. We lezen flarden van gesprekken met zijn zoons die hij voert als hij met ze in een zelf opgeknapt huisje in Gent gaat wonen en horen over een nieuwe vrouw met wie hij de sterren van de hemel vrijt op zijn dakterras. De moeder van de zoons is, nogal klinisch gesteld, uit beeld. Met andere woorden: de lezer heeft geen idee wat zich tussen die twee heeft afgespeeld en moet het doen met het feit dat ze uit elkaar zijn. Dat is onbevredigend. Als lezer wil ik best 428 pagina’s meelopen met een man die wegloopt voor relatieproblematiek of met een reis tracht orde op zaken te stellen, maar ik wil er ook het fijne van weten. Het pakje appelsap in de reistas blijft tot het einde toe verassend genoeg dicht. No juice.
Alhoewel Theunissen prima de procedés volgt voor een fatsoenlijke literair reisverhaal, blijft dit boek niet boeien. Tot in Roemenië is het vol te houden, maar de kans dat de lezer indommelt en opschrikt in Istanbul is groot te noemen. Helaas lijkt Theunissen dat niet te zien. Hij is zelfs nogal overmoedig aangaande zijn eigen verhaal:
‘Het fijne aan literatuur is dat, nu ik die wandeling in woorden giet, in uw en mijn hoofd opnieuw honderden of duizenden mogelijke varianten ontstaan.’ (270)
Dat is wat al te enthousiast. Theunissen schrijft een leuk boek om één keer te lezen. Best gelaagd, anekdotisch sterk en met oog voor detail (merk op dat de ‘=’ in de titel het wiskundige ‘is gelijk aan’ kan betekenen, maar evengoed gezien kan worden als de aanduidingen van een wandelpad op de kaart waardoor de ik niet per se cartograaf is, maar er tussen de ik en de cartograaf een pad bestaat. Er kan van het ‘ik’ naar de ‘cartograaf’ gelopen worden, misschien wel door de lezer, enfin). Maar ook: rijk aan platitudes, overduidelijk te lang en met een bijeengeveegd karakter. De Bezige Bij schrijft op de achterflap: ‘Ik=cartograaf is vele boeken ineen’, waarmee de uitgever toegeeft ook wel te zien dat de bundeling kan overkomen als een gestileerde stapel aantekeningen. Ik gun Theunissen het experiment van het literair reisverhaal, maar heb als lezer aan deze enkele reis genoeg.