In het qua omvang kleine Koudwatervis - dat eerder als essay verscheen in De Groene Amsterdammer - gaat een man naar zijn eerste corona-vaccinatie, ergens in Moskou. Aanvankelijk lijkt hij niet verder te komen dan voorspelbare reflecties op corona (hoe erg is het allemaal, doe ik er goed aan om spoetnik te nemen?) maar juist die alledaagsheid dient een doel. Want eenmaal ter plaatse, vooraan in die chaotische vaccinatiehal waar zieken en gevaccineerden in dezelfde rijen belanden, blijkt er geen prik meer voorradig te zijn voor de hoofdfiguur. Er volgt geen ruzie en geen aftocht, want ‘een verzoek of een bedreiging is nooit zo effectief als kennis van zaken’. Dus zegt hij alleen tegen de verpleegkundige: ‘U bent arts. Ik ben ook arts. En we zijn hier in Rusland. En zodoende weten we… dat als iets op is, dat het dan wel op is… maar soms niet helemaal.’
De verpleegkundige sputtert niet tegen, ze geeft hem vrijwel meteen gelijk: inderdaad, er zijn nog drie doses over, loopt u maar verder.
Juist die kalme, terloopse manier waarop dit alles zich voltrekt, maakt de scène krachtig. Rusland is een klassenmaatschappij, ongelijkheid hoort erbij, dat lijkt het besef bij Osipovs personages. En zo laat de schrijver via indringende, aardse scènes voortdurend zien hoe het is om te leven in het disfunctionele Rusland. Ongelijkheid, corruptie, geweld, antisemitisme, geldzucht: het zijn de bekende Osipov-thema’s, ze komen allemaal terug in deze bijna vierhonderd pagina’s verhalen. En toch is Kilometer 101 geen zware bundel (net zoals Bevrijdingsdag dat nergens wordt.) Die man die zich laat vaccineren moppert nauwelijks, hij dobbert vrij mild en zelfs een beetje sardonisch grappig mee. ‘Ik weet niet hoe het u vergaat’, merkt hij op tegen de lezer, ‘maar in staatsinstellingen ga ik meteen in de halve-slaapstand om me af te schermen tegen de te verwachten vernederingen.’
Veel personages in deze bundel zouden iets vergelijkbaars kunnen zeggen, op hetzelfde moment ernstig en relativerend. Soms zijn ze ondanks alles zelfs best gelukkig, soms maken ze er gewoon het beste van. Zoals de man in het lange, geweldige verhaal Matthew Ivanov, waarin hoofdpersoon Ivanov zojuist aan een amateurschaaktoernooi heeft deelgenomen. De schakers kwamen uit allerlei verschillende kringen en landen, ‘waren zelf zowel toeschouwer, scheidsrechter als organisator’, maar vooral: rondom dat bord, met eenduidige regels, waren ze even allemaal gelijk. Maar na afloop, in het vliegtuig terug, is dat verbond alweer opgeheven: Ivanov kijkt naar zijn medespelers van zojuist, tot op het bot succesvolle Amerikanen, een gewezen ambassadeur en de stevig gebouwde Don. Ze maken een gebaar naar hem, maar wat het betekent kan hij maar niet achterhalen. Kort daarna staat er: ‘Waarom kan hij eigenlijk niet in zo’n comfortabele brede stoel zitten? (…)
Omdat hij een ticket heeft voor de economyclass, antwoordt de stewardess.
Wat dan nog? Hij stoort toch niemand? (…)
Nee, zegt de stewardess, het zou onrechtvaardig zijn (…) en immoreel.’
Ivanov denkt lang na over dat laatste woord, waarom wordt het met zo veel genoegen uitgesproken?
En zo is de klassenstrijd alweer begonnen, nog voor Ivanov terug is in Rusland. Osipov is een meester in het tonen van zulke maatschappelijke mechanismes via kleine, af en toe komisch banale taferelen. Wat verder opvalt aan Kilometer 101, ook in vergelijking met eerder werk van Osipov: hij kiest ervoor om behalve vrij klassieke korte verhalen ook essayistische stukken in de bundel op te nemen, over de dood van zijn moeder bijvoorbeeld. Een verhaal bevat een naschrift uit maart 2022, toen de grootschalige invasie van Oekraïne net begonnen was.
Alsof fictie alleen voor Osipov niet meer volstond. Misschien is fantaseren en ongeremd vooruitkijken simpelweg een luxe, voorbehouden aan degenen die nog niet midden in een oorlog hebben gezeten.
(Voor De Groene Amsterdammer.)