Aart, een jongen van een jaar of zeven, is op de eerste bladzijden van "De bomen" net verhuisd naar een huisje dicht bij een voor hem mysterieus bos. Via enkele tijdsprongen volgen we hem op verschillende momenten van zijn leven en zijn fascinatie voor bomen lijkt hem nooit los te laten. Vooral het hoofdstuk in het midden, over leraar Barre - een personage dat lijkt weggelopen te zijn uit een novelle van Emmanuel Bove -, en het laatste deel, dat Aarts eerste doch korte stappen in het studentenleven beschrijft, steken erboven uit. Maar wat hier eigenlijk nog het meeste opvalt, is Alberts' stijl: droger dan Crone, Elsschot of Hemingway; geen woord te veel, of misschien ergens wel wat woorden te weinig? Het lijkt er A.A. vooral om te doen de lezer aan het werk te zetten om op zoek te gaan naar wat niet wordt neergeschreven. Ik weet niet goed wat ik van deze leeservaring moet maken, maar rekening houdend met de twee hierboven aangehaalde hoogtepunten, geef ik dit gerust een 3.5/5!