Wat dit boek fijn maakt, is het gedegen onderzoekwerk en de vele voorbeelden die worden gegrepen uit nieuwsartikels, colums, boeken enz.
Daarbuiten echter denk ik dat dit boek een beetje in hetzelfde bedje ziek is als veel activiteiten van de Taalunie en dergelijke instanties, namelijk dat het opperen om de dingen anders te doen te voorzichtig gebeurt. Met momenten neemt de tekst te veel de vorm aan van een descriptieve opsomming, waardoor het lijkt alsof problematische woorden haast op gelijke hoogte staan met hun menswaardigere alternatieven. Soms heb ik het dus wel wat gehad met die descriptiviteit. Van mij zouden taalautoriteiten prima op tafel mogen kloppen om bepaalde woorden onverbiddelijk naar de vergetelheid te verbannen (in het laatste hoofdstukje onderneemt Waszink hier toegegeven toch een nog een pogingkje toe).
Nu ja, of dat hier veel oplevert, weet ik dan ook weer niet. Zijn dit soort boekjes immers niet gewoon gepreek voor eigen kerk? Waszink legt eigenlijk zelf de vinger op de wonde wanneer ze Ton den Boon citeert: "De taal van de progressieve gemeenschap is ten dele jargon, ontwikkeld en gebruikt door gelijkgestemden [...]. Niet-professionele taalgebruikers, en daartoe behoren de meeste mensen, zijn er volstrekt niet mee bekend." Op dezelfde manier vraag ik me af welke niet-professionele taalgebruiker dit boekje zou vastnemen.