Na een kennismaking met de slachtoffers van een gezwind digitaliserende wereld en het bijna terloopse stellen van een diagnose van de wankele staat van de geestelijke gezondheidszorg, schetst Smithuijsen in wezen drie stadia van het hedendaagse individualiseringsproces, waarbinnen nieuwe digitale kanalen eerst verschillende soorten antisociaal gedrag aanwakkeren (zoals op pp. 56 en 134), daarmee vervolgens allerlei sluimerende anticollectieve sentimenten doen ontwaken (p. 128), om ten slotte een hardvochtige antipolitiek tot stand te brengen (pp. 142 en 148). Minder sterk is de analyse dat "misschien wel de hardnekkigste verslaving van deze tijd . . . die aan onszelf" is (p. 73), die nogal gemakkelijk aan de eeuwenoude aantrekkingskracht van het hedonisme voorbij lijkt te gaan. Ook staat de stelling dat er "niet zoiets [bestaat] als een digitale moraal" (p. 59) haaks op de constatering dat we de "laatste decennia . . . steeds meer manieren van identiteitsvorming [hebben] overgeheveld naar het digitale domein" (p. 64), hetgeen juist suggereert dat we onze morele opvattingen alleen maar naar deze digitale wereld hoeven te vertalen - niet dat we een volstrekt nieuwe, digitale moraal moeten zien te ontwerpen.