Theet 77 is een roman over door oorlogstrauma's getekende mensen en hoe je daartussen opgroeit als kind, over de onmogelijkheid om sociale klasse echt te ontstijgen, over de moeder als de as waarrond alles draait, en nog over veel meer serieuze zaken, die echter als glasscherven en spijkers tussen de parels liggen verborgen. Brusselmans beschrijft het allemaal zo licht dat je het bijna niet zou merken (en zowaar: geen recensent die het opmerkt - hebben ze allemaal stroop in de ogen?). Zo subtiel is ook het leven zelf: aan de oppervlakte wordt gelachen en gerookt, maar wat daaronder gebeurt is van een andere orde. Trouwens, niemand van die generatie (noch de onze) was in staat deze thema's uit te spreken, laat staan dat ze er de woorden voor hadden, dus in die zin is dit het meest waarheidsgetrouwe realisme.
Theet 77 is ook (en vooral) een liefdesode aan Brusselmans' moeder, aan de wereld van vroeger en alle prachtige fantomen die deze bevolkten, aan de paradijselijke kinderwereld, veilig verborgen achter een gordijn of onder een deksel dat nooit meer open kan. Daarnaast voelt Theet 77 ook als een liefdesverklaring aan Hermans jonge zelve, de twaaljarige bengel die als een punk Peter Pan (of welbespraakte Tijl?) door de straten van een pijnlijk mooie, sepiakleurige wereld loopt en fietst, soms zelfs lijkt te zweven, door voor- en achterdeuren die soms doen denken aan Dogville, muren zonder plafond, en daarboven vliegt een drone: wij/de lezer. Het is een documentaire maar tegelijk een neorealistische droom. Er gaat zoveel eerbied uit voor dit knaapje dat de lezer er steeds weer ontroerd van wordt.
Wat de structuur betreft: waar deel 1 van Theet 77 (een kleine 200 pagina's) misschien wel "de perfecte roman" was geweest, op zichzelf staande, dan waren deel 2 en 3 nodig om dit extra in de verf te zetten. De lezer voelt wel degelijk: iets uit die eerste periode is onherroepelijk verloren gegaan, en het valt niet in woorden te vatten. Vooral in deel 3 (het metagedeelte dat inzoomt op de carrière van Herman) wordt de toon droger en de humor minder losbandig.
Tot slot wordt in Theet 77 ook plaats gemaakt voor een biografisch aspect dat in het Brusselmansiaanse universum weinig ter sprake kwam: dat zijn overgrootouders grotendeels bestonden uit misfits: kersmis- en circusvolk en rondtrekkende Unger-zigeuners, wat de schelmenstreken en opgestoken middelvingers uit zijn romans toch wel een dubbele bodem geven. De moeilijk te plaatsen onrust en angsten die Brusselmans' werk kenmerken, maar ook "de chaotische slechtheid" die soms naar boven komt in zijn personages, is misschien een erfenis van dit noodlottig dna.