In Dageraad voert taalkundige en wetenschapsjournalist Rik Smits ons mee op een thrillerachtige speurtocht over Afrikaanse savannen en door Pyreneïsche grotten, langs giftige vogels en pratende apen. Via dierentalen, fantoomledematen, hallucinaties en logica wordt steeds duidelijker hoe en wanneer onze voorouders moderne mensen werden, wat vrije wil betekent en waar onze ziel huist. Maar ook hoe we afscheid namen van het dierenrijk en in ons hoofd een geheel eigen, unieke wereld vormden. En hoe dat proces nog maar zo'n 12.000 jaar geleden culmineerde in datgene wat bij uitstek onze identiteit volwaardige menselijke taal.
Er staan een aantal gedurfde stellingen in het boek, die het m.i. zeker de moeite van het lezen waard maken. Ik noem er enkele: -De prehistorische kunst is niet door religieuze motieven onstaan. -De ontwikkeling van de hersenen ging aan het taalvermogen vooraf -Het taalvermogen kwam slechts relatief laat tot ontwikkeling, te situeren rond het ontstaan van de landbouw.
Vooral die laatste stelling is uiteraard wel controversieel, vandaar waarschijnlijk de toelichting dat het over een eigenzinnige kijk gaat over de taalontwikkeling. Dit brengt me wel tot twee problemen die ik ondervond bij het lezen van dit boek, waarvan het eerste het meest fundamentele is.
Als lezer van populariserende boeken over wetenschap, ben ik voornamelijk geinteresserd in standpunten waarover in vakkringen een redelijke consensus bestaat. Ik ben immers niet in staat, als leek op het terrein, om de waarde van deze of gene steling ten gronde te beoordelen. Dit impliceert niet dat er geen uitgesproken mening verkondigd mag worden, maar wel dat duidelijk omlijnd wordt in hoeverre ze gedragen wordt door specialisten, welke argumenten er voor spreken (dit vinden we wel in het boek terug), welke argumenten er tegen zijn en waarom die niet langer houdbaar zijn. Een ander probleem was meer stilistisch van aard. Sommige voorbeelden zijn zo ver uitgesponnen, dat je als lezer de draad enigzins dreigt te verliezen, m.a.w. de essentie van de stelling gaat verloren in de voorbeelden die haar moeten staven.
Enkele vragen die bij mij opkwamen bij het lezen van dit boek: Als men kijkt naar het sumerisch, de taal waarvan de oudste schriftelijke bronnen bestaan, en men probeert op basis van de evolutie in die bronnen te komen tot een vorm van brontaal, hoe oud is dan naar schatting die taal? Wordt er aangenomen dat het proces van verandering in een taal langzamer gaat naarmate de tijd vordert (wat dat ook moge betekenen voor het veranderingsproces van een taal),een beetje zoals je kan vermoeden dat dialectale verschillen het grootst zijn in het brongebied,m.a.w. de geografische oorsprong? Zijn er talen onder de 6000 levende talen, waarvan men vindt dat die nog niet tot de volledige taalontwikkeling gekomen zijn, die het einddoel van zo'n ontwikkeling nog niet bereikt hebben? Voor het schriftsysteem kan men de "tokens" die het spijkerschrift vooraf gingen, wel zo beschouwen. Als het proces dat de taal tot stand heeft gebracht, nog niet voltooid is, zijn er dan intellectuele capaciteiten (eerder dan opvattingen), waarvan we vinden dat ze een dergelijk niveau hebben bereikt dat ze duiden op iets wat er daarvoor niet was?
Tenslotte, ook interessant om lezen rond hetzelfde thema, maar met duidelijk andere conclusies: Ruth Berger: Warum der Mensch spricht.
Typisch een boek van een schoenmaker die bij zijn leest had moeten blijven. Voor een boek over taal gaat dit boek erg weinig over taal… Smits is taalkundige, aldus de achterflap. En als hij het over taal heeft, over taalevolutie, over spraak of schrift, maakt hij verstandige observaties en redeneringen. Met als voor mij meest interessante dat taal is ontstaan als organiserend principe voor het menselijk denkvermogen en pas daarna als communicatiemiddel. Helemaal overtuigd ben ik niet: kan het niet zo zijn dat mensen langzamerhand steeds meer taal zijn gaan gebruiken als communicatiemiddel en dat het organiserende aspect ervan een bijkomend voordeel bleek te zijn? Maar veel te vaak berijdt Smits veel te lang uitvoerige zijpaden waar hij heus een punt mee maakt. Maar tegen de tijd dat we aan het einde van het zijspoor zijn, zijn we alweer vergeten welk punt hij probeerde aannemelijk te maken. Waarom hebben we het over de geschiedenis van China? Waarom bespreken we de uitvinding van de auto en de trein? Helemaal lastig wordt het wanneer Smits uitvoerig begint te speculeren over oermensen, Neanderthalers en Cro-Magnons. Uit zeer matige statistiek, met vermoedens en (on)waarschijnlijkheden trekt Smits bijzonder stellige conclusies, die dus op drijfzand berusten. Er is een heel speldenkussen tussen te krijgen. Jammer, want tussen alle modder zijn echt meerdere parels te vinden, waaronder de relatie tussen spreken en gooien. Als de uitgever hem nou gewoon gedwongen had om zijn boek 50 of 100 pagina’s in te korten en alleen het essentiële over te houden, was die ballast vanzelf verdwenen en was er een boeiend en nuttig boek over gebleven. Zoals het nu is, gaat het niet over waar het over moet gaan en blijft het een verzameling rammelende privé-theorietjes van een taalkundige die gewoon over taalkunde had moeten schrijven en niet had moeten proberen evolutietheoreticus, historicus of statisticus te zijn.
ez a könyv idegesítően buta. olyan, mint egy bulvárcikk: nincsenek források (csak egy elég random bibliográfia a végén), nagyon laza és kifejtetlen a kapcsolat a gondolatok között, felületesek és sokszor ostobák a feltételezések, sok a csúsztatás, a logikai hiba. ráadásul rettenetesen van fordítva.
mutatok egy példát: „Halvány fogalmunk sincs arról, milyen tényleges szerepet tölt be az ének a tengeri emlősök életében, és azt sem tudjuk, mi készteti őket éneklésre. A madaraknál láthatóan a régi nóta jön elő: figyelmeztetni akarják a vetélytársakat, illetve így udvarolnak. Az embereket és elődeiket illetően két lehetséges evolúciós előny feltételezhető. Nem zárható ki, hogy az emberek is azért kezdtek el énekelni, mert a férfiak így akarták elcsábítani a nőket. Legalábbis egy adott pillanatban ez lett az ének egyik funkciója. Igen sok olyan Rómeó van, aki kedvesét egy jól időzített szerenáddal hódította meg. 1960 és 1965 között a Beatles előtt a szó szoros értelmében fürtökben estek extázisba a lányok, és a későbbi popénekesek sem panaszkodhattak arra, hogy nem figyelnek rájuk a nők. Ráadásul a történelemben nincs még egy téma, amelyről annyit és annyiszor énekeltek volna, mint a szerelem.“
Aan de goede kant van de streep: leesbaar geschreven. De materie wordt wel een beetje gebracht als door een eigenwijze oom die op een verjaardag na twee borrels nu nog eens een keer uit zal leggen hoe iets in elkaar steekt, in een betoog waar je nooit een woord tussenkrijgt, maar niet onplezierig verteld.
Aan de verkeerde kant van de streep:weinig overtuigend. Ik snap, dat er weinig harde archeologische data is, en tegelijk voelt dit als een min of meer willekeurige evolutionair-biologische fantasie, die zich met gemak door drie andere zou laten vervangen: de taal ontstaan uit het onbenutte hersenvermogen, ontstaan uit de behoefte om precieze balistieke berekeningen uit te voeren bij het gooien van stenen. Dit maakt tot Joe Dimaggio, om zo eens door te redeneren, tot een van onze grootste dichters.