(Update: 3 jaar later vind ik het nog steeds zo’n goed boek. Ook interessant om te lezen over de verschillen en veranderingen in Amsterdam nu ik de geografie van de stad wat beter ken - zie je maar weer hoe bij herlezen altijd weer andere dingen opvallen)
Nynke ‘Skip’ Nauta komt na jarenlang over de wereld zeilen weer in contact met de familie Zeno, bij wie ze al eerder verbleef in hun tuinhuisje in Amsterdam. De familie nodigt haar uit om de zomer bij hen door te brengen. Een idee dat haar aantrekt, maar ook weer niet:
“In mijn ‘Kleine geschiedenis van slechte ideeën’ zou dit een eigen hoofdstuk krijgen, ‘Het tuinhuis’, waarin Skip Nauta zich vrijwillig laat opsluiten om een achtergebleven leven de kans te geven zich weer eens lekker strak om haar keel te wikkelen.”
Toch gaat ze terug. Terug in Nederland wordt ze geconfronteerd met haar verleden, en met zichzelf. Ze zoekt naar een thuis, maar weet niet goed wat dat voor haar betekent.
Ik vond dit boek zo mooi! En verslavend ook. Nina Polak schrijft geweldig, het boek is heel talig, vol scherpe observaties en ook vaak humoristisch. En dat terwijl de thematiek best wel tragisch is: het gaat vooral over niet kunnen hechten, niet weten waar je thuishoort, het gevoel een buitenstaander te zijn. Ondanks dat het op zo’n vlotte manier is geschreven voel je het wel sterk, het treurige van dit boek.
De personages intrigeerden me heel erg, omdat ze enerzijds heel herkenbaar zijn maar ook iets ongrijpbaars hebben. Vooral het hoofdpersonage Skip, ik voelde bewondering voor haar onafhankelijkheid maar ook een soort medelijden vanwege haar verlorenheid en voortdurende twijfels:
“Het Besef: je bent alleen, Skippygirl, moeder/ziel et cetera en misschien is dat stiekem helemaal niet wat je zou willen en moet je er iets aan doen doen doen. Paukenslagen, bekken, tamtam.”
Ze bleef me in ieder geval boeien. Ik vond het ook interessant om te zien hoe de andere personages constant op haar projecteren, het ‘mysterieuze zeemeisje’. Verder zijn er niet eens heel merkwaardige plotwendingen in het verhaal. Dat ik maar bleef doorlezen lag voor mij toch vooral aan de mooie zinnen. Zoals:
“Ik ken allerlei substanties van tijd. Tijd die aan je trekt, tijd die je voortduwt, tijd die je omarmt. Ik ken rouwtijd, die zwaar op je weegt en je uitput; lusttijd, die onstuimig om je heen wervelt; zeetijd, die zich loom voor je uitstrekt. Hier, nu, terug in Nederland is er verloren tijd, die zich negatief aan mijn zintuigen hecht en me de koortsige sensatie geeft dat het heden me door de vingers glipt.”