De Oostenrijker Walter Kappacher (1938) is in eigen land een "Geheimtipp", ook al won hij in 2009 de prestigieuze Georg Büchner- prijs, en in Nederland is hij zelfs helemaal onbekend. Maar de onvolprezen eigenzinnige uitgeverij Kievenaar legt zich daar niet bij neer: in december 2021 kwam de vertaling uit van "Morgen", Kappachers debuut uit 1975, en Kievenaars bedoeling is om hierna nog vier of vijf Kappachers uit te gaan brengen. Ik hoop dat dit gaat lukken. Want dit debuut, dat mooi vertaald is door Gerda Baardman, smaakt voor mij naar meer. Veel meer.
In een jubelende recensie, die opgenomen is als inleiding van "Morgen", spreekt de grote Martin Walser van "het stilste [proza] dat ik ken" , en roemt hij de "meedogenloze terughoudendheid" , de "eenvoud" en de "grote schoonheid" van Kappachers proza. "Morgen" is inderdaad een heel stil boekje, met een ik- figuur die bijzonder terughoudend vertelt over zijn belevenissen en emoties, zo terughoudend zelfs dat hij nauwelijks lijkt deel te nemen aan wat hij meemaakt en voelt. Pas op pagina 137 noemt hij voor het eerst, terloops, zijn naam: Winkler. En ook dat doet hij op wonderlijk ongeïnteresseerde, terughoudende, afstandelijke of misschien zelfs onthechte toon: alsof hij zich toont en zich tegelijkertijd meteen verbergt, alsof hij iets van zichzelf laat zien en zich meteen indekt door vooral heel veel NIET te vertellen. Wat nog versterkt wordt door passages waarin de ik- figuur alleen maar kijkt naar het plafond in zijn lege kamer, of waarin hij zegt "het binnensmondse gesprek werd verstaanbaar en ik begroef mijn hoofd in het kussen, ik wilde dat allemaal niet horen, geen woord", zonder dat de lezer ooit nog iets verneemt over wat de ik-figuur niet horen wil en waarom niet.
Bovendien vertelt de ik- figuur geen verhaal met kop en staart, maar presenteert hij zichzelf en zijn leven in zo'n tien verschillende verhaallijnen, die allemaal tamelijk elliptisch en gefragmenteerd zijn en vol van stiltes en leemtes. Ook die verhaallijnen hebben vaak geen duidelijk begin of eind, net zo min als "Morgen" als geheel. Bovendien worden die verhaallijnen niet netjes om de beurt afgewikkeld, maar staan ze door elkaar heen, in korte hoofdstukjes van maximaal anderhalve bladzijde. Hoofdstukjes die soms eerder lijken op prozagedichten met open einde dan op hoofdstukjes van een verhaal. En dat versterkt nog het stille en terughoudende karakter van dit proza: het lijkt wel alsof Winkler zichzelf niet in één sluitend verhaal kan of wil presenteren, maar alleen in een mengeling van raadselachtig terughoudende fragmenten. Of van verhalen die hij uit bedeesdheid of terughoudendheid steeds afbreekt. Waardoor Winkler ook raadselachtiger wordt: aanvankelijk dacht ik zelfs dat al die verhaallijnen een andere ik- figuur als hoofdpersoon hadden, maar al die verschillende ik- figuren met hun zo uiteenlopende elliptische stille verhalen blijken dus onderdeel te zijn van de bedeesde en terughoudende Winkler.
Een van de verhaallijnen begint met de zin: "Hoe het met mijn vader ging, vroeg Gerda, toen ik bij haar in de auto stapte". Daarna ontwikkelt zich een merkwaardig verstild- desolate of terughoudend- tragikomische geschiedenis, over Gerda's auto die geparkeerd is op een parkeerterrein waar elke dag honderden autowrakken worden gedumpt en waar Gerda, de ik- figuur en nog een vage vriend volkomen vergeefs zoeken naar die auto. Zo richtingloos is kennelijk het leven van Winkler en zijn kennissen. Opvallend daarbij is dus ook die eerste zin: de ik- figuur vertelt niet waarom hem deze vraag gesteld wordt, hij vertelt ook niet of en hoe hij er op reageert, hij citeert zelfs Gerda's woorden niet letterlijk maar parafraseert ze nogal kort en zakelijk, en daarna gaat de verhaallijn in meerdere fragmenten verder alsof die terloopse zin er nooit geweest is. Maar via een andere verhaallijn krijg je een vermoeden waarom Gerda dit vroeg: de vader van de ik- figuur is ziek, en zal daaraan overlijden.
Ook de hoofdstukjes in die andere verhaallijn zijn echter weer zeer verstild en terughoudend van toon, en tamelijk vervreemdend bovendien. Een van die hoofdstukjes, over de uitvaart, bestaat slechts uit de nu volgende zin: "De priester keek veelbetekenend op en het werd stil, geen gemompel meer, en hij begon te spreken, hij had het over een dienstknecht Mathias, die nu niet meer onder ons was, hij dreunde zijn ingestudeerde toespraakje op en zijn woorden kwamen onvoorstelbaar grappig op me over, ik moest me regelmatig beheersen om het niet uit te proesten, het leek allemaal even onecht en toen hij eindelijk klaar was, liep ik als een van de eersten naar het graf en gooide er met de schep een paar kluiten aarde in om daarna snel bij de anderen aan de andere kant te gaan staan, en ik hoopte dat het nu snel afgelopen was." En in een iets later hoofdstukje wordt de ik- figuur, tot zijn eigen verbazing, nogal getroffen door het uiterlijk van zijn nichtje, maar dat zegt hij dan zo: "Ik moest steeds weer kijken, ze liep schuin voor ons, naast haar moeder, en ik staarde naar haar opwippende borsten en hoorde niet meer wat oom Alois naast me allemaal vertelde, ik knikte af en toe en droogde mijn ogen, want vreemd genoeg waren die nog steeds een beetje vochtig". Het woord "vader" komt niet over Winklers lippen, het woord "verdriet" ook niet. En het enige teken van dat verdriet, de vochtige ogen, verbaast hem alleen maar. Geen lawaaiig vertoon van sentimenten en ach en wee bij zijn vaders ziekte en begrafenis, geen enkel uitgeroepen woord van openlijk leed, alleen vervreemding en stilte. Alsof hij als een buitenstaander kijkt naar zichzelf, zijn vaders begrafenis, de rituelen tijdens en na de uitvaart, en zijn eigen gevoelens.
Veel van die stilte, terughoudendheid en vervreemding in "Morgen" lijkt bovendien een impliciete en ongearticuleerde kritiek te bevatten. Martin Walser noemt Kappacher niet voor niets "een geduchte vijand" van "onze manier van leven": Winkler is het namelijk helemaal oneens met het leven dat hij en zijn kennissen leiden. En juist dat verdiept zijn positie van buitenstaander: hij begrijpt zichzelf en de wereld niet, en wijst zichzelf en die wereld ook nog eens af. Dat doet hij, uiteraard, alleen in stilte en impliciet. Je merkt het alleen tussen de regels door, aan zijn bijna terloopse beschrijvingen: van mensenmassa's waarin hij doelloos blijft steken, van ellenlange files waarin hij stil blijft staan, van autogassen die de lucht verpesten, of van het feit dat Winkler zelf geen auto heeft terwijl veel mensen roepen dat juist auto's zo cruciaal zijn voor de welvaart en economie. Maar juist dat laatste interesseert Winkler niet. En je merkt de vervreemding en de afwijzende kritiek in een verhaallijn die vol is van vervreemdende kantoortaferelen, dezelfde verhaallijn waarin Winkler begint te spelen met de gedachte om zijn baan op te zeggen. Niet omdat hij een ander bestaan voor zich ziet, of enig ander concreet alternatief, maar alleen omdat hij weg wil uit dit kantoorbestaan en zijn hele kleurloze leven. De onbestemdheid van dat gevoel, en van dat verlangen naar een andere manier van leven, komt naar mijn smaak mooi naar voren in de volgende zin: "Ik stond met de sleutel in de hand en vroeg me af of er überhaupt wel iets was waar ik talent voor had, en ik kon niets bedenken". Mooie symboliek, die sleutel in de hand. Bij andere auteurs zou de ik- figuur dan op het punt staan de deur te openen naar een nieuw bestaan. Bij Kappacher echter kan de ik- figuur zich dat nieuwe bestaan niet concreet voorstellen, en is die sleutel eigenlijk tevergeefs. Of, misschien beter gezegd: bij Kappacher is er geen sprake van een concrete deur naar een concreet en maakbaar nieuw bestaan, en dus ook niet van een sleutel die alle sloten opent.
Maar toch is er in "Morgen" een bevrijding merkbaar. Een catharsis misschien zelfs, zij het een catharsis in stilte. En juist door die stilte is dat een catharsis die mij ontroert. Winkler slaagt er, om te beginnen, uiteindelijk in om zijn kantoorbaan op te zeggen. Ook zijn er aan het einde van "Morgen" enkele momenten van vervoering, waarin Winkler een vage maar verlokkende glimp ziet van alternatieve mogelijkheden. Hij wil, na een zanger te hebben gezien die in extase zingt en zichzelf daarmee bevrijdt, ook "deel hebben aan het volmaakte en zelf minstens een ogenblik lang volmaakt zijn". En eenzaam lopend door de natuur, dus ver van al die lawaaiige auto's en mensenmassa's en in kleurloze sleur ondergedompelde collega's en kennissen, voelt hij een opvallende vervoering: "Ik voelde me wakker, klaarwakker, en ging onder de grove den langs de kant van de weg zitten. Ik dacht helemaal niets en het was alsof ik met de bomen, het gras en de stenen mee- ademde". Ook deze zinnen zijn vol stilte en niets, net als alle zinnen hiervoor. Maar hier is het niets bevrijdend en vol mogelijkheden: een niets dat niet verstikt, zoals in de passages ervoor, maar dat juist laat ademen. Wat nog wat duidelijker wordt in zinnen als: "en ik beleefde alles wat er door mijn bewustzijn ging zo intensief als nooit eerder, ik was buiten mezelf, elke stap, elke blik was avontuurlijk en nieuw, de wereld was plotseling totaal veranderd". Hoe die veranderde wereld er concreet uitziet weten we als lezer niet. Maar wel dat Winkler, na alle terughoudendheid en impliciete zelfkritiek en onvrede van eerst, nu in elk geval voor even en voor het eerst een verruiming van bewustzijn ervaart, en een avontuurlijke nieuwheid waar hij eerder nauwelijks van droomde. En dat vond ik enorm ontroerend: juist door het contrast met alle voorafgaande vervreemding, en juist door het feit dat dit bevrijdende gevoel niet met luidkeels effectbejag wordt uitgesmeerd over vele pagina's maar alleen in een paar zinnen trefzeker voelbaar wordt gemaakt.
Ik hou van dit stille en terughoudende boek, al was het maar als tegenwicht tegen alle luidruchtige lawaaimakers van de huidige dagen. Ik bewonder de ingetogen en impliciete wijze waarop Kappacher de vervreemding en onvrede voelbaar maakt van zijn hoofdpersoon, zonder ooit zijn toevlucht te nemen tot tirades of gescheld. En ik bewonder de zo bondige, zo suggestieve, zo voorlopige, en juist daardoor zo indringende en ontroerende gevoelens van bevrijding aan het slot. Kortom, ik ben blij dat ik de mij onbekende Kappacher nu heb mogen ontdekken, en ik wacht met spanning op nieuwe vertalingen van zijn boeken!