Alleen al dat titelverhaal, prachtig, een van de mooiste verhalen die ik ken uit de Nederlandse literatuur. De 'beschouwingen' spreken mij wat minder aan.
Naast het geweldige autobiografische verhaal 'De vertegenwoordigers', bevat deze bundel onder andere een interessante beschouwing over de roman 'Tobias en de dood' van J. van Oudshoorn. Hotz verwoordt hierin wat hij verstaat onder goed schrijverschap: "Wat een schrijver tot schrijver maakt is de kwaliteit van zijn verwoording, en niets anders. Niets. Niet het gegeven, de strekking of de invalshoek maakt het meedelen tot schrijven; het zijn de gekozen woorden, hun rangschikking, en het vervangen van ongewone woorden door gewone. Er is een soort magie die aan een gewoon woord in een kalme zin wurgkracht kan geven." Een rake observatie. Want als je allerlei boeken opslaat over hetzelfde thema (bijvoorbeeld oorlog), met dezelfde strekking (oorlog brengt bepaalde eigenschappen in mensen naar boven) en invalshoek (volwassene kijkt terug op de oorlog, die hij/zij als kind/jongere beleefde), constateer je inderdaad dat ze niet allemaal even goed zijn en dat dit voor een groot deel wordt bepaald door de 'verwoording'.
Hotz weet waar hij het over heeft. Hij is immers zelf een meester in verwoording, een stilist pur sang. Je ziet aan iedere zin hoe zorgvuldig hij zijn woorden kiest. Dat is precies wat zijn verhalen zo aantrekkelijk maakt voor lezers die gevoelig zijn voor stijl. De opmerking over het vervangen van ongewone woorden door gewone is intrigerend. Het staat er zo makkelijk. Toch zijn er schrijvers genoeg die volop gewone woorden gebruiken, maar bij wie de magie van Hotz ontbreekt.
Een goede verwoording moet niet verward worden met 'mooischrijverij', schrijft Hotz: "Als men nu maar niet een trefzekere en persoonlijke verwoording verwart met wat men 'een mooie stijl' noemt. Want dat 'mooie' riekt al naar mooischrijverij - het ergste - en naar woordvervetting eerder dan versobering." Wat hij precies bedoelt met 'een mooie stijl' en 'mooischrijverij' wordt hier niet duidelijk. En wie zijn die 'men'? Verwarrend allemaal, want Hotz' eigen mooie stijl is juist de reden waarom veel lezers hem bewonderen. Kan een schrijver een 'mooie stijl' hebben zonder zich in te laten met 'mooischrijverij'? Het is natuurlijk maar net wat je onder die termen verstaat. Een brief van Hotz van 26 oktober 1975 aan zijn oom Herman Kunst werpt hier enig licht op. Hij gebruikt daarin de term 'mooischrijverij' als een negatieve kwalificatie van het werk van Harry Mulisch: "Ik herlas nog eens z'n 'Het donkere licht' (of was het 'Zwarte licht'?) met daarin mooischrijverij als: 'Wanneer twee mensen paren, staat alles in het heelal stil; de vogels hangen stil in de lucht', enz." Aanhangers van deze stijl zullen dit mogelijk 'dichterlijk' of 'verheven' noemen; Hotzianen zullen eerder spreken van 'ostentatief poëtisch' of 'geëxalteerd' (of, in gewone woorden, 'gezocht' of 'overdreven'). Ik houd het erop dat Hotz geen mooischrijver is, maar dat hij wel degelijk een mooie stijl heeft. Dat laatste is echter iets anders is dan wat 'men' eronder verstaat.