'Vandaag hebben we een paar mormonen in elkaar geslagen.'
Zo begint een relaas van anderhalve week uit het leven van de 16-jarige Amsterdamse havoleerling Bor. Een week vol drank, ruzie, cynisme, aandacht geven aan en krijgen van vrouwen, foute vrienden, gezeik thuis, gedonder op school. Vrijwel nooit gaat Bor vrijuit, vrijwel nooit vindt hij dat zijn schuld. Het maakt Bor allesbehalve een sympathiek karakter.
Waarschijnlijk was dat Moens' bedoeling ook juist niet. In Bor gaat het naast al het gescheld om maatschappelijke tegenstellingen. De (elitaire, hoogopgeleide?) lezer volgt Bor hoofdschuddend, heeft alleen last van hem als hij zich in het openbaar vervoer bevindt en nodigt hem uit zich aan zijn asociale en criminele milieu te onttrekken, intelligente jongen die hij is. De binding met zijn vrienden, die hem 'de professor' noemen, raakt hij zonder het door te hebben kwijt, maar als hij wat te gretig gebruik maakt van de uitnodigingen van de personificatie van de elite, zijn schoolgenootje Ruth, komt hij uiteindelijk toch in de problemen. Dan pas maakt het blijkbaar iets uit.