Niet zijn beste werk, maar Hermans komt ook hier af en toe heerlijk scherp uit de hoek. Zoals hier, over de verwachting van sommigen dat het gestaag toenemen van de hoeveelheid vrije tijd die de gemiddelde mens ter beschikking heeft tot allerlei goeds zou leiden:
Dan pas, zeiden ze, zou de mens zijn creativiteit kunnen ontplooien! Van huis uit is iedereen creatief! Een nieuwe culturele ontwikkeling was nog maar pas begonnen: het tijdperk van de spelcultuur! "Spel geen vlucht meer uit het leven, maar doel van de mens op aarde, de zin van zijn zijn! Scheppend nietsdoen, creatief spelen!" [..] TV-filmpje, opgenomen in het tehuis voor slecht ter been zijnde ouden van dagen, waar mijn moeder woonde. Ze zat achter een tafel met potten waterverf. In haar van reumatiek kromme vingers hield ze een penseel, waarmee ze naar hartelust mocht kliederen op een stuk karton van goedkope kwaliteit. Al die oudjes in dat tehuis werden daar iedere middag toe opgehitst door een vrijetijdstherapeut. Het filmpje toonde de resultaten van zijn geestdrift. "Ach Take," vertelde mijn moeder me, toen ik haar op een andere middag bezocht, "we voelen ons precies als die chimpansees die ze eens voor de grap schilderijen hebben laten maken. Vond jij het mooi? Ik niet. Ik heb nooit van tekenen gehouden en ik kan het ook niet. Nu zegt de dokter wel dat het niets hoeft voor te stellen, dat het des te mooier wordt, hoe minder ik er mijn best op doe, maar ik vraag me soms af of ik niet beter een beetje zou kunnen zitten slapen. Dan heb ik tenminste geen spijt over de verknoeide verf." Moeder vertelde me ook dat de andere oudjes er precies zo over dachten, maar ze kwamen niet in verzet omdat ze die huispsycholoog zoveel plezier deden met dat geklieder. [...] Een grote plas verf was, terwijl ze mij aankeek, uit de te natte kwast op het papier gedropen. Ze roerde er beverig wat in rond, ze probeerde mij de indruk te geven dat het opzet was geweest, dat ze er nog wel een kunstwerk van zou maken. "De zin van haar zijn."
Oké, nog ééntje dan, over de almaar ouder en grijzer wordende maatschappij:
"Hoe komt het nu toch, dokter," heb ik eens gevraagd, "dat ik zo lang leef, terwijl ik zo weinig het gevoel gehad heb dat ik mij nuttig maken kon, dat het ergens voor diende?"
"Dat komt," zei hij, "doordat u een soort mens bent uit een ander tijdperk dan dat waarin u bent geboren. U zou in primitiever omstandigheden beter op uw plaats zijn geweest en dan ook niet zo lang hebben geleefd. [...] U bent, bij wijze van spreken, op de wereld gekomen met wapenen die al niet meer nodig waren. U bent, in de van de wieg tot het graf verzorgde maatschappij die zich de laatste eeuwen heeft ontwikkeld, eigenlijk zoiets geweest als een rinoceros of een schildpad in een dierentuin. Niet in staat een pantser af te leggen dat overbodig is geworden. Uw constitutie was berekend op een veel zwaardere strijd om het bestaan dan in onze tijd noodzakelijk is. U zou, als de geriatrie nog niet zo ver ontwikkeld was geweest, ook wel redelijk oud geworden zijn, maar natuurlik niet zó ontzettend oud en u zou zich misschien minder hebben verveeld."
"Maar ik was rijk. Rijkworden kon vroeger ook. "
"Maar arm worden kon u niet meer en dat kon vroeger wel."
Zo nu en dan zeg ik tegen de dokter: "Het is eigenlijk zonde, zoveel moeite voor een waardeloze oude man als ik. En dan te denken aan al die jonge mensen die met het geld dat ik kost, zouden kunnen worden geholpen."
"Ik begrijp niet waar u het over heeft," antwoordt de dokter met een glimlach, "de jeugd komt niets meer te kort in onze tijd. De sociologische situatie is de laatste vijftig jaar grondig veranderd. Thans zijn het juist de leeftijdsgroepen van negentig tot honderdtien jaar die het grootst in aantal zijn en de meeste zorg behoeven. Ze verstoppen de verkeersaders met hun te langzaam rijdende auto's, stemmen op partijen met archaïsche programma's die elke vooruitgang tegenhouden. [...] De westerse landen besteden gemiddeld zeventig procent van het nationale inkomen aan deze leeftijdsgroepen en dat is dan nog een lage raming. Waar moet het naartoe?"
Ik kan z'n beschouwing niet goed volgen en k mompel: "Wat maakt het nu uit voor iemand die honderdvijfenzestig is om ook nog honderzesenzestig te worden?"
Maar als ik dat zeg en ik zeg het dikwijls, kijken ze me aan met gezichten alsof ze denken: hij is weer danig in de war vandaag.