De roman begint met enkele citaten uit een scriptie over het fenomeen tijd, geschreven door Constantin voor zijn studie filosofie. Dan treffen wij hem aan als iemand die in een bijna leeg paleis klokken opwindt om ze op de juiste tijd te zetten, en hen onderhoudt. Daarvan maakt hij zijn levenswerk.
Het verhaal is mager, lusteloos als de hoofdpersoon zelf. Hij ontmoet een aantrekkelijke vrouw en dat lijkt een mooi perspectief. In de manier waarop hij met haar omgaat, treffen wij bijvoorbeeld het onverklaarde gebrek aan belangstelling aan, op momenten die beslissend zijn. Er blijven rafels hangen aan de uiteindjes van diverse plotlijntjes. Er blijkt geen consistentie te zitten in de zorgvuldigheid, waarmee de protagonist in eerste instantie zijn werk verricht c.q. het testament uitvoert van de hertog die de klokken had nagelaten met strenge instructies over hun behandeling. Deze verandering in houding zou in een goede roman letterlijk te lezen zijn uit een beschreven karakterontwikkeling. Maar van een dergelijke beschrijving heeft schrijver dezes zich ditmaal onthouden. Als de cesuur in het verhaal, beschreven als (het gevolg van) een maatregel waartoe een overstroming noopt, dan uiteindelijk een illustratie zou moeten laten zien Nietzsche’s leerstelling over ‘die ewige Wiederkunft des Gleichen’ (in de trant van: er is niets nieuws onder de zon waar het betreft de voorspelbaarheid van het grootkapitaal), dan is het mij wat te kort door de bocht en te impliciet. JM