Waar moet ik in godsnaam —no pun intended— beginnen. Voor de generatie van mijn moeder —ze is vorige week 81 geworden alstublieftdankuwel— was deze roman incontournable. Naar eigen zeggen herleest ze hem regelmatig, en steeds met evenveel goesting. Haar exemplaar komt uit de 10e druk van 1967, ik kon een exemplaar in uitstekende conditie op de kop tikken bij De Slegte voor 6,50 euro (11e druk, 1968). Ik weet niet of het nog steeds in druk is, maar elke Vlaamse bibliotheek beschikt zonder enige twijfel over een exemplaar.
De immense populariteit van het boek gaat hand in hand met de controversialiteit. Hoewel het hoofdpersonage initieel intreedt in het klooster, maakt ze een religieuze crisis door, waardoor ze aan het religieuze juk verzaakt en, zoals dat toen heette, haar kap over de haag smijt, en vervolgens op zwerftocht naar het Verre Oosten trekt. Rosseels is wars van de verstikkende conservativiteit van de jaren 50 en 60 en aarzelt dan ook niet om religie op een —zeker voor die tijd— erg onconventionele manier te benaderen.
Dood van een non is dan ook niet meteen een lang godsvruchtig relaas, maar is wel een boek over, jawel, een geloofsstrijd, maar meer nog over emancipatie en persoonlijke ontwikkeling (een Bildungsroman). Het is een boek over twijfel en beslissingen en keuzes, over existentialisme en bovenal over menselijkheid en wat het betekent om als mens in de maatschappij te staan. De roman zit boordevol ideeën, mijmeringen en filosofie. Aan te titel alleen al kunnen verschillende interpretaties gegeven worden.
Het is een boek dat, zoals Hubert Lampo schreef over een ander boek van Rosseels, “de belangstelling van iedere lezer, welke godsdienstige of wijsgerige overtuiging ook toegedaan, ten volle waardig blijkt.”