Dit is het laatste deel van de triologie van Wanda Reisel dat ik heb gelezen. Het is een zomer begin jaren '70. Dana is 17 en woont met haar ouders in een huis aan het Vondelpark. Het park dat gonst van muziek en wheet-rokende hippies. Dana is een meisje dat er graag bij wil horen, maar ook is ze graag alleen en filosofisch ingesteld. Zoals alle meisjes van die leeftijd is ze druk bezig met jongens, uitgaan en school. Ze gaat met haar vriendin Tessa, een grote flirt en mannenverslindster, drie weken naar Parijs, maar het gaat niet goed en Dana gaat alleen terug. Het huwelijk van haar ouders vertoont behoorlijke scheuren en ze maakt kennis met de minnares van haar vader. Haar moeder zit met haar jongste broertjes in Israël en heeft ook een minaar. Teruggekomen vanuit Parijs in Amsterdam heeft Dana allerlei ontmoetingen met een jongen van school, maar ook twee leraren op wie ze een oogje heeft en die zich allebei grensoverschrijdend gedragen. Dana is er nog niet aan toe om met iemand naar bed te gaan, tegelijkertijd hunkert ze er ontzettend naar. Dan krijgt ook nog haar lievelingsbroer een naar brommerongeluk. De vriendschap met Tessa is definitief ten einde en Dana is geschokt en jaloers als blijkt dat Tessa ook nog een relatie met haar broer heeft gehad. Ik heb ontzettend genoten van dit boek, de stijl, de humor en de aandoenlijkheid van Dana.