Ik ben Michel Foucault moe. Na het doorploegen van Madness & Civilization (1961), The Birth of the Clinic (1963), The Order of Things (1966) en Discipline & Punish (1973) had ik me voorgenomen zijn Geschiedenis van de Seksualiteit als laatste leesdoel te stellen. Maar ik merk dat ik eigenlijk niets meer serieus kan nemen wat de beste man schrijft. In ieder werk komt hij met een selectie historische bronnen uit de periode Renaissance tot negentiende eeuw; gebruikt hij zijn eigen interpretaties van deze (selecte) groep historische bronnen om verschillende onderliggende discoursen te ontwaren; met als claim dat we nu (ten tijde van publicatie) toe zijn aan een nieuw discours.
Foucault lijkt geobsedeerd door macht en beschouwt kennis als een machtsuitoefening. In ieder discours ligt een dusdanige machtswil die tot uitdrukking komt in wat wij als waarheid en kennis aannemen, wat wij normaal en goed (en dus ook abnormaal en slecht) beschouwen, etc. etc.
In Volume 1 van De Geschiedenis van de Seksualiteit claimt Foucault letterlijk dat 'de seksualiteit' en product is van de wil tot weten, toegepast op de lust. Dit vindt, volgens Foucault, zijn oorsprong in de Christelijke biecht - een bekentenis door middel van gedetaillerde beschrijvingen van het seksleven van de biechter, aan de geestelijk. Vanaf de zeventiende eeuw mixt deze bekentenis zich met de analytische blik (i.e. de empirische wetenschap), die dan in de achtiende eeuw uitmondt in een explosie van discoursen over allerhande manifestaties van seksualiteit.
Het is in deze tijd dat allerlei wetenschappen 'de seksualiteit' (als ding) bestuderen en interpreteren. Hier horen eindeloze, extreem gedetailleerde beschrijvingen van allerhande perspectieven bij. De fysiologie van de seks, de psychiatrie die de perverse vormen van seksualiteit bestudeert, de obsessie met demografie, de mens als productiefactor, etc. etc.
Onder al deze manifestaties van seksualiteit ligt een soort van onbesproken consensus als fundament: de heteroseksualiteit binnen de familiestructuur is de norm waarlangs alles en iedereen wordt afgemeten. Juist omdat dit impliciet blijft, is de heersende opvatting van historici en filosofen dat de seksualiteit onbespreekbaar en onderdrukt was. Niets is minder waar: de negentiende eeuw was door en door een geseksualiseerde tijd. Foucault ziet de psychoanalyse, in het bijzonder Freud, als culminatie hiervan.
In de psychoanalyse zijn twee bewegingen gelijktijdig gaande: enerzijds een uitputtende destructie van alle eerder aangebrachte onderscheiden in de seksualiteit (normaal/abnormaal, perversiteit, zenuwziekten, etc.) en anderzijds een uitputtende reductie van alle aspecten van het menselijk leven tot het beginsel van lust. Gek genoeg is het juist in de psychoanalyse - waar die eindeloze lusten als ongewenst en dus censuur-waardig worden beschouwd - dat 'repressie' zijn intrede doet.
De psychoanalytics interpreteert de mens in termen van zijn seksualiteit. Dit is het sluitstuk van een historische ontwikkeling waarbij de menselijke seksualiteit als object van macht en kennis steeds centraler kwam te staan. Onder deze ontwikkeling ligt een decentralisatie van macht, waarbij de macht van de staat steeds verder verbrokkelde tot netwerken van machtsrelaties tussen mensen onderling, waarbij de discoursen en de dispositieven als 'strategieën' emergeren uit deze macht-kennis-relaties. Dit betekent dat er verschillende discoursen over seksualiteit naast elkaar bestaan en dat dit een inherent instabiele situatie is: constant veranderen opvattingen, normen, regels, etc. - maar altijd vanuit een bottom-up proces. Nooit is er een staat of een soverein die middels de wet of vanuit een absolute macht dicteert wat er gebeuren moet ten aanzien van de seksualiteit.
Het bovenstaande is wat ik uit Volume 1 haal. Naarmate ik vorderde met lezen, borrelde verveling en irritatie op. Na het lezen van alle bovengenoemde werken, is het kunstje me wel duidelijk. Binnen het tijdsframe 1500-1900 wordt er gezocht naar een opeenvolging van discoursen; binnen elk discours worden de interne structuren blootgelegd; en het laatste discours is op de een of andere manier verbonden met de 'middenklassesamenleving' en is gecentreerd rondom de (fictieve) dualiteit van de mens. Dat wil zeggen: we leven (nog) in de moderniteit, waar de mens als transcendentaal subject een kennisobject voor de positivistische wetenschappen wordt. De mens ontstaat met de moderniteit: de mens is slechts de verzameling mensbegrippen die uit de menswetenschappen naar voren vloeien.
De illusie ligt erin dat iedere menswetenschap haar eigen 'mens' construeert - de psycholoog construeert de mens als denkend, voelend en handelend wezen; de sociologie construeert de mens als sociaal wezen; etc. We doen steeds harder ons best onszelf - als mens - te begrijpen in wetenschappelijke termen, en daarin worden we steeds blinder voor het feit dat we ons hiermee subjectiveren - tot subject maken en onderwerpen aan allerhande macht-kennis relaties - en steeds verder af komen te staan van wie/wat we daadwerkelijk zijn (i.e. niets). We maken onszelf tot iets, maar daarin verbergen we onszelf (voor onszelf) als niets.
'De seksualiteit' is slechts een domein binnen deze algehele trend. We beschouwen onszelf als seksuele wezens in de vormen waarop wij, als kennisobjecten, in de verschillende discoursen verschijnen.
Mijn grootste kritiek op Foucault is niet zijn selectieve gebruik van historische bronnen of zijn eigenzinnige interpretaties van diezelfde bronnen, maar het meta-narratief dat hij meent te ontwaren. Als literatuur is het vermakelijk, maar Foucault was een filosoof en cultuurcriticus - de man maakte waarheidsclaims over zaken als waarheid, kennis en het menselijk bestaan. Als je Foucault achterstevoren leest (relateer alle gebruikte bronnen aan het emergerende verhaal), kom je erachter dat er - toevalligerwijs - altijd precies hetzelfde verhaal uitkomt, ongeacht welk boek je van de man leest. Hij lijkt naar een vooraf vastgestelde conclusie toe te schrijven, en dat is gezien de selectiviteit en zijn unieke interpretatie van bronnen, een voor de hand liggende conclusie.
Zijn conclusie is steevast: er is geen lijn der geschiedenis - causaliteit noch chronologie - er is enkel een discontinue opeenvolging van discoursen, die elk een rooster over de wereld leggen dat dingen laat verschijnen en andere dingen juist doet verdwijnen. Hoe wij de wereld zien en beleven is het product van het heersende discours, dat op zichzelf een emergerende strategie is uit alle netwerken van macht-kennis relaties. Kortom: ieder discours kent zijn eigen waarheid en werkelijkheid.
Weg zijn de ambities van de Verlichting om een historische groei van kennis te bewerkstelligen, waarmee de mens de wereld steeds beter kan maken. Wat overblijft is een zure en gortdroge relativiteit. De waarheid en werkelijkheid van vandaag zijn slechts tussenstations op een eindeloze treinreis.
De man was een getroubleerde geest - een depressieve intellectueel die niets moest hebben van natuurwetenschappen; een homoseksueel die zich door zijn geaardheid verstoten voelde; een man met een Nietzscheaanse leesbril op zijn neus, die alles en idereen wist te herleiden tot macht; geobsedeerd door seks, en met name Marquis de Sade. Niet voor niets ruimt hij in veel van zijn werken een centrale rol in voor de psychoanalyse - het is eenvoudig te zien welke betekenis dit gegeven heeft.