This history of destructive plague shows how centuries of epidemic alternated with centuries that were almost plague-free. The authors examine the social responses to the calamities, which were mainly religious and focused around guilt and punishment.
Professor Naphy received his doctorate (in Reformation History) from the University of St Andrews in 1993. He was appointed a lecturer at the University of Manchester in 1993 and, in 1996, at Aberdeen where he was promoted to Senior Lecturer in 1999. He was awarded a personal chair in 2007. He is the author of six books with translations into six languages (including an up-coming translation into Bosnian for an NGO raising awareness of homosexuality in Bosnia) as well as numerous edited volumes and articles in scholarly journals.
Letto nell'edizione italiana del Il Mulino, dal titolo "La peste in Europa". Gli autori fanno una carrellata introduttiva di pestilenze, più o meno bubboniche, manifestatesi in età classica e tardo antica per approdare poi alla peste giustinianea, antefatto della morte nera del 1347-48. Si entra poi nel cuore del libro, con la descrizione delle terribili epidemie del XIV secolo, con le loro ricorrenze cicliche di sei- dieci anni, per poi attraversare i secoli XV, XVI e XVII, caratterizzati da cicli più lunghi, ma con epidemie tremendamente devastanti per la popolazione europea. Un capitolo, come è giusto per autori inglesi, è dedicato alla peste di Londra del 1665; un altro descrive con dovizia di particolari, raccapriccianti l’ultima pestilenza in Europa occidentale, quella di Marsiglia del 1720. Una descrizione vivida, raccapricciante, delle pestilenze basata sulle varie fonti dei contemporanei. Nel libro vengono prese in esame oltre alle ricadute sulla demografia e sull’economia, le conseguenze sociali di fenomeni così devastanti: le misure prese dalle autorità per contenere il contagio, il costituirsi di una legislazione sanitaria, commissioni e istituzioni mediche permanenti, le resistenze poste a queste dalle popolazioni atterrite, le difese psicologiche adottate da molti, non ultime dalle stesse autorità, estese fino alla negazione dell’evidenza, di manzoniana memoria. Un libro che forse non aggiunge molto a quanto già si sapeva, ma che ha però il merito di esporre una storia dell’epidemie di peste in Europa presa nel suo insieme, dal suo manifestarsi, fino allo scomparire nel secondo decennio del Settecento. Nell’insieme è molto più di un buonissimo manuale, al quale si potevano però aggiungere note a piè di pagina sulle fonti storiografiche.
Magistrale. In 180 pagine non si poteva chiedere di più. Il libro enuclea in modo sintetico ma completo la reazione europea all'irruzione di un morbo, spiegando bene gli strumenti (religiosi, filosofici ed empirici) che gli uomini del '300 e quelli successivi avevano per arrestare o attenuare il contagio, senza dimenticare le implicazioni socio-economiche che la peste (tra un quarto e un terzo della popolazione moriva) comportava.
Interessante anche per l'Italia, perché alla peste nel nostro paese sono dedicati molti capitoli. I comuni italiani furono all'avanguardia nel '400 nella creazione dei lazzaretti e nella politica della quarantena. Alla fine, emerge comunque la verità: in quattrocento anni gli uomini non trovarono alcun rimedio efficace alla peste e dovettero limitarsi a misure che, se riducevano di poco il numero di morti, miravano soprattutto ad evitare il collasso dell'ordine sociale.
Alcuni casi, come Londra 1665 e Marsiglia 1720, sono descritti in dettaglio. Il miracolo del libro sta nella completezza nell'accennare sia alla prima esplosione pandemica (quella dell'epoca di Giustiniano), sia alla terza (tra '800 e '900 che colpì l'India), senza dimenticare le altre malattie endemiche (sifilide, vaiolo, lebbra) ecc.
Ho apprezzato moltissimo che in vari punti gli autori abbiano ammesso che, su molte vicende, non abbiamo risposta. Perché Milano nel 1347 ebbe solo il 10% morti? Perché nei primi cent'anni la peste aveva ricorrenza decennale e poi divenne ventennale? Perché Londra 1665 fu l'ultima epidemia sul suolo inglese? Perché la peste scomparve dall'Europa dopo il 1720? Tutte domande cui gli studiosi hanno dato risposte solo parziali e insicure.
Consigliatissimo a meno che, dati i tempi, non siate ansiogeni o ipocondriaci.
De Pest, de Zwarte Dood in Europa is een breed opgezette studie, waarin ook gekeken wordt naar de periode vóór de Zwarte Dood en gebieden buiten Europa. De auteurs blijven hier en daar wel een beetje hangen in hun voorkeursthema’s maar evengoed komen er onverwachte aspecten aan bod. Met name verbanden die je niet direct aan een ziekte zou koppelen: hoe de Romeinse staat door de pest ondermijnd werd terwijl het de staatsvorming in de middeleeuwen juist stimuleerde. Welke staatsvorm het meest effectief met de pest om ging. Maar ook de verhouding tussen de magistraten en het publiek, en welke spanningen daar ontstonden. Hoe er aan de ene kant te weinig geld was en aan de andere kant op niet geringe mate aan liefdadigheid werd gedaan. Al met al een leerzaam werkje.
Volgt nu een samenvatting.
Symptomen van de pest: hoge koorts, hevige pijn aan armen en benen, stuipen, braken, duizeligheid, delirium, paarsachtige vlekken op de huid door onderhuidse bloedingen, gezwollen lymfeklieren (zwarte builen tot de omvang van een ei, soms een appel).
Oorzaken volgens tijdgenoten: de toorn van God, miasma-theorie (slechte lucht), contagie-theorie (besmetting), de joden (die de waarheden van het christelijk geloof verwierpen en dus de vijanden van God en daarmee de compagnon van de duivel waren). Oorzaken na voortschrijdend inzicht: de vlooien van de aan de pest lijdende zwarte rat die na de dood van de zieke rat oversprongen op mensen.
Yersinia pestis: de bacterie die tegenwoordig bekend is als veroorzaker van de pest, werd pas in 1894 geïdentificeerd door Alexandre Yersin. Hij isoleerde de bacterie en ontwikkelde een serum ten tijde van de derde epidemie in Hong Kong.
*****
De ‘Pest van Julianus’ (541 na Chr.) wordt als de eerste grote epidemie beschouwd, die zo’n twee eeuwen (tot 760 na Chr.) de bevolking rond de Middellandse Zee teisterde. De hoofdstad Constantinopel verloor volgens schattingen 200.000 zielen (40% van de bevolking). Bij een volgende uitbarsting stierf 15% van de bevolking van Italië en Zuid-Frankrijk. De handel raakte ontwricht, de economie zakte in, de bevolkingsaantallen daalden. Het Oost-Romeinse Rijk was gedwongen zijn legers terug te trekken. Dat maakte het voor de zojuist tot de Islam bekeerde Arabische nomadenstammen makkelijker grote delen van dit rijk onder de voet te lopen.
De Zwarte Dood was in feite de tweede grote epidemie.
Toen de pest West-Europa bereikte, trof zij een stabiele maar kwetsbare maatschappij, totaal onvoorbereid op een ziekte die zich zeshonderd jaar niet had doen gelden. De bevolking had zijn maximale omvang bereikt, d.w.z. zij kon overleven van de opbrengst van het land, maar ook niet veel meer dan overleven. Door de gehanteerde landbouwmethode verminderde voortdurend de graanopbrengst. Door het erfrechtsysteem, dat de grond naliet aan alleen de oudste zoon, terwijl de bevolking wel groeide, waren er steeds meer armen.
In oktober 1347 werd deze uitgeputte, overbelaste samenleving overvallen door de komst van de pest, via de haven van Messina op Sicilië. Genua, Florence, Pisa en Venetië raakten ook besmet. Behalve langs de zeehandelsroutes verspreide de pest zich ook langs de handelsroutes over land. Hoewel we hier Zwarte Dood als een West-Europees verschijnsel beschouwen dienen we te beseffen dat het hele Middellands Zee gebied erdoor geteisterd werd (en 30 á 40% van de bevolking van de Islamitische Levant en Noord-Afrika eraan overleden is). Paus Clemens VI schatte dat er op een totale bevolking van 75 miljoen 23.840.000 mensen waren gestorven (31%).
De invloed van de pest was gigantisch. De statische wereld van vóór de pest werd opgeblazen. Op bijna elk niveau van de samenleving vergrootten zich de kansen en de mobiliteit. Het arbeidsaanbod stortte in, lonen stegen, pachtboeren trokken naar de stad om beter betaald werk te vinden. Het landschap veranderde: dorpen werden verlaten, boerderijen vervielen tot ruïnes, akkers bleven braak liggen. Wolven, vanaf 1300 verjaagd, zwierven tegen 1420 weer rond aan de rand van Parijs.
De hogere lonen brachten meer welvaart, luxegoederen werden ruimer beschikbaar en beter betaalbaar. De beter gesitueerden reageerden ‘epicurisch’, leefden zich uit in de herberg of bij hoffeesten alsof elke dag hun laatste was. De intelligentsia nam geen blad meer voor de mond als ze hun gedachten verwoordden. De Zwarte Dood markeerde het eind van de Middeleeuwen. Het bracht naast kerkhervormingen de renaissance op gang. Dáárom beschouwen historici de Zwarte Dood als een keerpunt in de West-Europese geschiedenis.
De grote massa echter werd door overheid en kerk aangespoord tot godsdienstige activiteiten (biddagen), om een beroep op god te doen zijn toorn af te wenden. En zij vonden ook troost in hun godsdienst. Omdat er zes eeuwen voorbij waren gegaan sinds de pest van Julianus waren er geen beschermheiligen voorhanden. Maar daar werd een christelijke mouw aangepast. De ziekte werd verbeeld als door god afgeschoten pijlen. De heilige Sebastiaan werd de patroonheilige voor de bescherming tegen dodelijke pijlen. Zijn wonden werden genezen door de heilige Irene. De heilige Rochus had zich gewijd aan de verzachting van de ellende van zieken. Bovendien had hij een zwelling op zijn linkerdij, een teken van de builenpest. Maar boven aan stond de moeder gods, de maagd Maria, in verband met de kracht van haar ‘voorspraak’.
De pest begrijpen en reguleren was geen sinecure. Wat niet hielp was dat de geleerde mannen die als arts functioneerden allereerst filosofen waren. Zij theoretiseerden over ziekten. Hun inzichten berustten op de geschriften van oude denkers als Aristoteles en oude beoefenaars van de geneeskunde als Galenus en Hippocrates. Daarnaast had je de zogenoemde empirici, die tot conclusies kwamen op grond van observatie en ervaring. Omdat empirici geen opleiding in de kunst van het denken hadden gevolgd, beschouwden de universitair opgeleide artsen hun methoden en opvattingen als minderwaardig. De gangbare opvatting over de oorzaak en de verspreiding van de pest was de ‘en-en-en-theorie’: de combinatie van én de toorn van God, én miasma (slechte lucht), én contagie (besmetting) gold als verklaring.
Halverwege de vijftiende eeuw namen steden (beter: stadsstaten) in Noord-Italië een praktische houding aan. De sociale orde handhaven was het belangrijkste doel. Handel en de economie moesten in stand blijven om de maatschappelijk samenhang te waarborgen. Juist de Noord-Italiaanse stadsstaten bevonden zich daarvoor in een goede positie. Zij waren klein en effectief te besturen, in staat om snel informatie te vergaren, deze om te zetten in bestuurlijke besluiten en om deze besluiten te handhaven. Zij kwamen met maatregelen als quarantaine (veertig dagen) lazaretten (pesthuizen, waar de zieken geïsoleerd en verzorgd werden), gezondheidsraden, beperkende regels rond uitvaartgewoonten, massagraven, gezondheidscertificaten, administreren van sterfgevallen en hun oorzaak, statistische informatie, etc. De gezondheidsfunctionaris van Palermo had als motto: Goud, vuur en galg. Goud was nodig om alles te betalen, vuur was nodig om besmette zaken te verbranden en de galg zodat niemand het waagde de regels te overtreden.
Italië werd het strengste land ter wereld wat gezondheid betrof. Dat de maatregelen effectief waren werd snel bekend. Toch waren de meeste grote koninkrijken heel laat met de invoering van deze maatregelen. Er werd veel struisvogelpolitiek gevoerd. De meeste staten wilden domweg niet erkennen dat er sprake van pest was. Dat zou de handel maar verstoren, en anderen maar concurrentievoordeel geven. Het niet nemen van doortastende maatregelen sloot aan bij de strategie van ontkennen. In Parijs werd in 1496 ‘intern’ besloten dat een pesthuis onmisbaar was. Maar pas in 1612 werd het Hopital Saint-Louis voltooid, 116 jaar na het aanvankelijke besluit. De omstandigheden in bestaande pesthuizen schrokken de meeste gewone mensen af. Zij zwoeren dan samen om de aanwezigheid van pest te verbergen. Het gewone volk verfoeide bovendien de beperkende maatregelen waar ze ook nog eens voor moesten betalen (pestbelasting). In hun ogen werd de pest niet gereguleerd, maar hun leven wel. En zo kreeg de pest door persoonlijke onwil en bestuurlijk falen de ruimte om zich door Europa te verspreiden.
Wat deed het gewone volk wél om zich tegen de pest te beschermen? Bidden, processies, wierook branden, zelfhulpboeken raadplegen. Drankjes nemen, kompressen leggen. En aromatherapieën. Het idee dat de pest in de lucht hing en verdreven kon worden door rook en sterke geuren leefde hevig. Alles dat stonk moest (anders dan normaal) verwijderd worden, ook overrijp geurend fruit. En verder waren de mensen vaak fatalistisch. Volgens hun godsdienstige overtuigingen, en hun priesters, was de pest gezonden door god, en daarmee onvermijdbaar (predestinatie).
Liefdadigheid was een belangrijk fenomeen. In totaal droeg deze voor ongeveer 25% bij aan de extra pest-gerelateerde uitgaven. 50% werd besteed aan voedsel voor de mensen die in quarantaine zaten (in het pesthuis, of opgesloten in hun eigen huis). 25% ging naar de lonen van het pesthuispersoneel. 10% ging naar onderhoud van gebouwen, vooral het pesthuis. Als de liefdadige sector groot en rijk genoeg was hoefde de overheid minder of geen belasting te heffen. De fondsen werden voor een groot deel beheerd door diezelfde overheidsbestuurders.
Om succesvol te zijn moest de overheid in staat zijn haar regels toe te passen: een systeem van bureaucratische orde op leggen, bereid zijn enorme sommen geld uit te geven en, via liefdadigheid, een soort sociale verzekering op te bouwen. Waar dat slaagde werd het toezicht van de regering op de burgers versterkt en de overheidsmacht vergroot. Aldus droeg de pest bij aan staatvorming.
De grote pest van Londen is, mede door het historische dagboek van Samuel Pepys en het fictionele dagboek van Daniel Defoe, in het collectief geheugen als grootste (68.596 doden) en laatste (1665) uitbraak bekend geworden. Toch heeft in 1720 de pest nog een keer toegeslagen in Marseille, waarbij ongeveer 50.000 mensen overleden (50%)
De pest bleef ook na 1720 in delen van Europa voorkomen. 1743 – Sicilië/ 1738 – Oekraïne, Hongarije, Moravië, Polen/ 1755 - 1757 - Europees Turkije, Transsylvanië/ 1778 – Moldavië, Walachije, Hongarije, Polen, Oekraïne, Galicië, Kiev, Rusland/ 1783 – 1784 – Dalmatië/ 1784 – Transsylvanië, Slavonië, Lijfland/ 1813 – Boekarest, Bosnië, Malta/ 1815 – Dalmatië, Korfoe/ 1816 – Noja/ 1828 – 1829 – Griekenland, Moldavië, Walachije, De Krim/ 1840 – Dalmatië/ 1877 – 1879 – Bakoe, langs de Wolga in Rusland. Vooral aan de Oostgrens van Europa bleef de pest een constante bedreiging. Maar er deden zich ook nog sterfgevallen voor in Portugal (1899, 144 doden) en 3 in Wenen, in Australië (1900, 103 doden) en 15 sterfgevallen in Glasgow, Zuid-Afrika (1901. 363 doden). De pest blijft endemisch onder knaagdieren in India, China en de Rocky Mountains (VS). Losstaande gevallen van builenpest worden in deze gebieden nog elk jaar gemeld. (KMB, 14-11-2025)
Na książkę natrafiłem przy okazji niedawno przeze mnie przeczytanej o niemal tym samym tytule: "Dżuma. Czarna śmierć" Johna Kelly'ego... no i teraz nie wiem jak ją ocenić, bo na tle książki Kelly'ego wypada bardzo blado. Jest krótsza, poważna, mniej dokładna, no i John Kelly ma dużo więcej polotu... Książka Naphy'ego i Spicera jest też o kilkanaście lat starsza, więc siłą rzeczy będzie mniej dokładna, bo czas i badania nie stoją w miejscu... I tak np. tutaj autorzy jeszcze zastanawiają się: czy to aby na pewno była dżuma, bo objawy niezbyt pasują? tak John Kelly powołuje się na badania, pewnie nowsze, które potwierdzają, że tak: to była dżuma. Mam takie wrażenie, że są książki, które będą się starzeć i będę odchodzić w zapomnienie, ponieważ powstają książki nowsze, obszerniejsze, dokładniejsze i odwołujące się do nowszych badań... jest to jakoś smutne, a z drugiej strony konieczne i dobre jest to, że rozwijamy się jako społeczeństwo i odkrywamy nowe dowody itp. W temacie takim jak dżuma, prawdopodobnie zawsze nowa książka będzie lepsza od starej... ale jedno zagadnienie było tutaj opisane obszerniej, a w tamtej wcale - "sodomici" będący grupą prawie tak często braną na kozłów ofiarnych jak żydzi i/lub trędowaci ;)
Il saggio contiene un'interessante visione d'insieme della peste attraverso i secoli (dal Medioevo fino alla peste di Marsiglia dei primi del Settecento). Particolare attenzione viene rivolta agli aspetti sociali, religiosi e politici della peste, trattando temi con cui anche noi abbiamo familiarizzato durante la pandemia di COVID 19.
“Nell’ottobre del 1347 una flotta genovese proveniente dal Mar Nero approdava nel porto siciliano di Messina. I marinai che erano a bordo, già morti o agonizzanti, avevano contratto, a quanto pare, una malattia ignota e tremenda, la punizione inflitta da Dio a ‘un terzo dell’umanità’.”