Met Genesis: Boek van het begin (2020, Nederlandse vertaling) ben ik begonnen aan de reeks Verbond en dialoog: Joodse lezing van de Tora van opperrabbijn Jonathan Sacks (1948–2020), een groot denker en Joodse geleerde. Ook van Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium zijn de uitgaven in een zeer goed verzorgde Nederlandse vertaling verschenen bij Skandalon. Strikt genomen betreft het geen vers-voor-vers-commentaar; Sacks volgt het schema van de parasjat hasjavoea – de wekelijkse Toralezing in de synagoge – en wijdt per parasja telkens vier essays aan de tekst.
In deze essays staat de Tora-tekst centraal, hier: Genesis, maar Sacks verbindt het verhaal met de Joodse uitlegtraditie én met de filosofie (Sacks studeerde filosofie in o.a. Cambridge), de actualiteit en de menselijke ervaring. Over de parasja-lezing schrijft hij dat ze het Joodse bewustzijn vormt en ons “het unieke gevoel [verschaft] dat we een verhaal leven” (p. 10). De Tora geeft richting aan het leven: zij is “een commentaar op het leven,” maar ook “het leven is een commentaar op de Tora” (p. 10). De relatie werkt dus in twee richtingen. De essays vormen spiegels van Sacks’ persoonlijke omgang met de Tora. Zijn doel is om, naast de toelichting op de parasjat, de verhalen te plaatsen binnen het geheel van denkbeelden.
Sacks stelt dat Genesis noch mythe is, noch geschiedenis, noch pure theologie. Wat dan wel? “In feite is Genesis een filosofie die doelbewust op een niet-filosofische manier is geschreven” (p. 14). Fundamentele filosofische vragen – over zijn (ontologie) en moraal (ethiek) bijvoorbeeld – worden behandeld, maar niet via een logisch systeem zoals in de klassieke filosofie, maar via het medium van het verhaal: “waarheid als verhaal” in plaats van “waarheid als systeem” (p. 14). Genesis is daarmee een filosofisch boek in verhalende vorm. Interessant is Sacks’ observatie dat Genesis, het boek over een familie, voorafgaat aan Exodus, het boek over een volk: het persoonlijke gaat aan het politieke vooraf.
Wat dit boek en deze serie bijzonder maakt, is Sacks' scherpzinnige aandacht voor zowel de kleinste details van de tekst als de grote verhaallijnen. Een mooi voorbeeld van het laatste is het essay “Een drama in vier bedrijven” (parasja Noach), waarin hij vier vormen van verantwoordelijkheid bespreekt: persoonlijke, morele, collectieve en ontologische. Adam en Eva ontkennen hun persoonlijke verantwoordelijkheid. Kaïn erkent deze wel, maar ontkent zijn morele verantwoordelijkheid (��Ben ik mijn broeders hoeder?”). Noach neemt zijn collectieve verantwoordelijkheid niet – hij redt slechts zijn eigen gezin. En Babel faalt als het om ontologische verantwoordelijkheid gaat. Sacks koppelt dit boeiend aan het proces van volwassenwording: “Het toont de volwassenwording van de mensheid als echo van de volwassenwording van het individu,” en verbindt dit vervolgens met de ontwikkelingspsychologie van Jean Piaget, Erik Erikson en anderen (p. 61), zonder dit overigens tot in detail uit te werken; Sacks schrijft compact en to the point. In een later essay (parasja Lech Lecha) wijst hij erop dat Abraham juist wel verantwoordelijkheid neemt in alle vier domeinen (p. 65). Het is een kunst hoe de opperrabbijn vier vormen van verantwoordelijkheid uit de tekst haalt, deze toelicht en verbindt met hedendaagse inzichten over menselijke ontwikkeling.
Een ander sterk essay behandelt de discussie tussen Abraham en God over de vernietiging van Sodom (Genesis 18; parasja Wajera). Sacks noemt dit “de geboorte van een van de belangrijkste joodse tradities: de discussie met de hemel, omwille van de hemel, de verbondsdialoog tussen God en mens in naam van de rechtvaardigheid” (p. 93). De Talmoed spreekt in dit verband over choetspa kelapee sjemaja – “onverschrokkenheid tegenover de hemel” (Sanhedrin 105a; p. 94). Niet de vrijmoedigheid van Abraham begint de dialoog, stelt Sacks, maar Gods uitnodiging: Hij wil dat Abraham rechtvaardig [tzedek] en rechtmatig [misjpat] handelt (Gen. 18:19). Abraham grijpt deze woorden aan in zijn pleidooi. Zo is het niet de mens die God uitdaagt, maar God die de mens uitdaagt, namelijk om recht te doen.
Ook op exegetisch vlak verrast Sacks regelmatig met originele inzichten. Zo biedt hij een genuanceerder beeld van personages als Ismaël en Esau dan vaak wordt aangenomen. In het essay “Worstelen van aangezicht tot aangezicht” (parasja Wajislach) analyseert hij de zegen die Jakob ontving en uiteindelijk aan Esau teruggeeft. Jakob stuurt Esau geschenken en schenkt hem rijkdom en macht – precies de elementen uit de zegen die hij eerder had verkregen. Sacks concludeert: “Hij maakt dat helemaal duidelijk met de woorden ‘Neem toch [niet alleen mijn geschenken, maar ook] mijn zegen aan.’ Hij weet nu dat de zegen die hij Esau ontnam nooit voor hem bedoeld was, en hij geeft hem terug” (p. 194). Deze handeling verbindt Sacks met Jakobs worsteling in de nacht: een existentiële strijd waarin Jakob leert dat hij niet Esau is, maar Israël – hij die met God worstelt en niet opgeeft (p. 196). Niet alleen de inhoud, maar ook de manier waarop Sacks dit inzicht aanreikt, is schitterend.
Naast deze scherpzinnige exegese bevat Genesis ook waardevolle theologische reflecties. Bijvoorbeeld over de namen van God: Elohim als God in de schepping, Hasjeem staat voor God in de openbaring (p. 247). Dit onderscheid verbindt Sacks met het universele en het particuliere binnen het jodendom. Ook zijn er drie wijzen waarop de mens God kent, namelijk via “schepping (God in de natuur), openbaring (God in de heilige woorden) en bevrijding (God in de geschiedenis)” (p. 167). Hier en daar klinken dergelijke theologische reflecties door, terwijl de aandacht gericht blijft op de wekelijkse parasjat.
Genesis van Jonathan Sacks is een indrukwekkend boek dat zeker vijf sterren verdient! Voor wie niet vertrouwd is met het Joodse leesschema is het verhelderend om het boek Genesis via de 12 parasjat te doorlopen, in plaats van hoofdstuk voor hoofdstuk. De essays zijn inhoudelijk rijk, getuigen van aandacht voor detail én een scherp oog voor de grote lijnen. Sacks blijft geworteld in de Joodse traditie, maar zoekt actief en tegelijkertijd kritisch de dialoog met andere denkwijzen. De tekst van de Tora roept: “Leg mij uit!” (p. 293) – en Jonathan Sacks beantwoordt die roep op sublieme wijze.
Zijn essays bevatten diepzinnige inzichten, die steeds ingebed zijn in menselijke ervaringen van een familiegeschiedenis – met thema’s als verantwoordelijkheid, conflict en verzoening. Juist omdat het boek zulke fundamentele existentiële vragen aan de orde stelt, is het ook toegankelijk en betekenisvol voor niet-joodse of zelfs niet-religieuze lezers. Het biedt een diepzinnige kennismaking met de “filosofie” van Genesis, waarin de moderne lezer - gelovig, niet-gelovig of een beetje gelovig - nog heel veel kan leren van figuren als Abraham, Isaak, Jakob en de zonen van Israël.