Une histoire de la Françafrique À partir de 1960, la France a officiellement octroyé l’indépendance à ses anciennes colonies africaines. Une liberté en trompe-l’œil, imaginée en réalité dès la fin de la Seconde Guerre mondiale. Paris a ainsi perpétué l’Empire français sous une autre forme : la Françafrique. Un système où se mêlent des mécanismes officiels, assumés, revendiqués (militaires, monétaires, diplomatiques, culturels…), et des logiques de l’ombre, officieuses, souvent criminelles. Et que tous les présidents français ont laissé prospérer, en dépit des promesses de « rupture ». Cet ouvrage retrace cette histoire méconnue, depuis les origines coloniales de la Françafrique jusqu’à ses évolutions les plus récentes. Écrit par des spécialistes reconnus – chercheurs, journalistes ou militants associatifs –, ce livre montre que le système françafricain, loin de se déliter, ne cesse de s’adapter pour mieux se renouveler. Sous la direction de Thomas Borrel , Amzat Boukari-Yabara , Benoît Collombat et Thomas Deltombe . Avec les contributions de Fabrice Arfi, Jean-Pierre Bat, Olivier Blamangin, Catherine Coquery-Vidrovitch, Laurent Correau, Claire Cosquer, Marielle Debos, Raphaël Granvaud, Nadia Yala Kisukidi, David Mauger, Jean Merckaert, Khadim Ndiaye, Maurin Picard, Coralie Pierret, Fanny Pigeaud, David Servenay, Kalidou Sy, Ndongo Samba Sylla, Jean-Bruno Tagne, Ghislain Youdji Tchuisseu, Fabrice Tarrit, Yanis Thomas.
Onderzoekers VERNIETIGEN de Françafrique met FEITEN en ABSURD VEEL PAGINA’S
Wat is de Françafrique, los van een geinige pun op ‘France-à-fric’? De term slaat op een veelzijdig web van Franse belangen in de vroegere Afrikaanse kolonies: van achterkamerdiplomatie en plundering door olie- en uraniumbedrijven tot de ‘monetaire dictatuur’ van de CFA-franc en de inmenging van Franse huurlingen in conflicten. In het moederland is het voortbestaan van dit web grotendeels op de politieke agenda komen te staan door het werk van hardnekkige onderzoeksjournalisten. Het proces tegen journalist François-Xavier Verschave in 2001 was de druppel die eindelijk leidde tot de afschaffing van de wet tegen ‘majesteitsschennis’ waarop bevriende staatshoofden zich vaak beriepen om kritische boeken te laten verbieden in Frankrijk.
Nu de Françafrique niet meer weg te denken is uit het publieke debat, is een geliefde retorische truc van machtspolitici om haar dood te verklaren. Maar al krijgt de Franse invloed klappen te verduren, ze blijft zich wel degelijk handhaven via het CFA-imperium (wel is de CFA nu op de euro vastgepind i.p.v. de Franse franc), legerbasissen, grondstoffenextractivisme, mediamagnaten en banden met regimes zoals Kameroen, Tsjaad, Gabon, Djibouti, Ivoorkust, Congo-Brazzaville of Marokko. Bovendien heeft Frankrijk haar invloedssfeer uitgebreid naar landen die niet tot haar traditionele achtertuin behoorden: DRC, Rwanda, Nigeria, Zuid-Afrika, Angola, Kenia… Zelfs de toename van Russische en Chinese invloed vormt voor de Fransen een gedroomd excuus om des te assertiever in te zetten op een ‘herovering’.
De Françafrique is dus niet dood, ze ligt zelfs niet per se op haar sterfbed. Wat wél blijkt door afstand te nemen van de hypes van het moment en haar hele geschiedenis te overschouwen, is dat ze uitblinkt in aanpassingsvermogen. Denk aan de rebranding en gedeeltelijke hervorming van de CFA-franc tot de ‘eco’ onder Macron, waarbij Frankrijk voortaan minder openlijk zou zetelen in het bestuur van de eco-zone, maar het basismechanisme zonder meer bewaard bleef. “La Françafrique évolue sans cesse pour ne pas mourir”, concluderen de auteurs.
Aangezien dit boek geschreven is door Franse journalisten en historici, is de aanpak ervan heel Frans, gedreven door een constante essayistische energie. Dat het zo’n snedige en kritische houding aanneemt, stoort niet (het zou moeilijk zijn om een objectief beeld te schetsen van Frans-Afrikaanse relaties doorheen de decennia zonder een zekere haat voor Frankrijk te ontwikkelen). Maar mijn ergernis is de manier waarop ze bronnen citeren: geen noten, alleen bibliografieën per hoofdstuk. Een claim van Piketty wordt aangehaald, maar om die claim te vinden, moet je het doen met de namedrop ‘Capital et idéologie’ zonder meer. Of een politicus wordt uitgebreid geciteerd, maar zonder te zeggen uit welke bron in de literatuurlijst dat citaat komt. Eh bien…
Elk hoofdstuk van het boek bespreken zou zowel mijn eigen petje als dat van mijn 1,5 lezers te boven gaan, dus een greep uit wat ik de highlights vond: - I.2 (Les habits neufs du capitalisme impérial), over de ontwikkelingen die het Franse kolonialisme doormaakte in zijn laatste periode (1944-60). De invoering van (iets) progressievere loonwetten voor de Afrikanen leidde in het moederland tot het idee dat de kolonies een last aan het been van Frankrijk waren geworden. In deze cruciale jaren werd de blauwdruk uitgezet voor een ‘gecontroleerde’ dekolonisatie die erop zou neerkomen dat de ex-kolonies zelf de sociale lasten droegen, maar dat hun grondstoffen en arbeidskracht Franse bedrijven ten goede bleven komen.
- II.2 (Un laboratoire de la Françafrique : la guerre du Cameroun), over de vergeten koloniale oorlog die Frankrijk in Kameroen voerde parallel met de Algerijnse oorlog. Kameroen werd een prototype voor de vazalstaten van de komende decennia: onderdrukking van volksopstanden ging er hand in hand met de installatie van een bevriende autocraat. Enkele van de auteurs hebben hier een apart boek over geschreven (‘Kamerun!’, 2010; mijn verjaardag is trouwens op 8 juni).
- II.5 (Le système Foccart). Soms wordt de Françafrique herleid tot het schimmige informele netwerk van Jacques Foccart. Dit boek hamert erop dat dat onterecht is: zo verplaats je een structureel fenomeen naar de overdreven rol van één man. Dat neemt niet weg dat Foccart uiterst belangrijk was. Zijn model van informele beïnvloeding van staatshoofden bleef tot na de Koude Oorlog centraal staan in het Franse Afrikabeleid.
- II.8 (Manipulation française au Biafra), over de Biafra-oorlog van de late ’60s waarin Franse en Britse belangen tegenover elkaar kwamen te staan. Cynisch steunden ze de respectieve strijdende partijen die Nigeria verscheurden. Ook een scherpe illustratie van de rol van de Franse media die onophoudelijk de Nigeriaanse wreedheden tegen Biafra in de kijker zetten en zo het publiek warm maakten voor Franse inmenging. Het zou boeiend zijn om iets te lezen over wat de Britse tv op datzelfde moment over het conflict zei.
- III.3 (La laisse monétaire : contestation et consolidation du système CFA), een korte uiteenzetting over de CFA-franc die tot op vandaag vroegere Franse kolonies in een monetaire wurggreep houdt. Het is ook hier trouwens fascinerend om de vergelijking met het VK te maken. De Britten zijn evengoed aanwezig gebleven in hun oude rijk (Shell doet niet onder voor Total), maar alleen Frankrijk heeft zo’n verregaand monetair controlemechanisme uitgewerkt.
- III.4 (Les mercenaires français à l’assaut du continent africain), over de clandestiene rol die huurlingen doorheen de decennia hebben gespeeld binnen de machtsstructuren van de Françafrique.
- IV.3 (La République des mallettes). Hier worden de betalingen van Afrikaanse autocraten zoals Mobutu en de Bongo-familie, maar ook van oliegigant Elf (nu Total), aan Franse politici over het hele politieke spectrum geschetst. Significante percentages van de begroting van landen zoals Gabon verdwenen in private Franse zakken. Sinds 2000 blijkt die steun niet zozeer te zijn verdwenen als wel extra ontraceerbaar geworden.
- IV.9 (Génocide des Tutsis : le rôle de la France), over de rol van Frankrijk in de oploop naar de Rwandese Genocide en zelfs tijdens de eigenlijke geweldsexplosie. De Fransen bleven de Hutu-extremisten voluit steunen tegen de rebellen van Kagame, al erkenden ze in geheime interne documenten dat er een genocide in de maak was. Een van de beste en meest furieus makende hoofdstukken van het boek.
- V.5 (Coups tordus et guerre française en Côte d’Ivoire). Hoofdstuk dat illustreert dat de deelname van de Fransen aan ‘smerige’ oorlogen niet alleen een ding van de Koude Oorlog is, zoals weleens wordt beweerd. Halfweg de 2000s spande het land zich in om de anti-Franse president Gbagbo van de troon te stoten. In 2004 beschoot het Franse leger zelfs herhaaldelijk pro-Gbagbo-betogingen van ongewapende burgers.
- V.9 (Saccage et verrou nucléaire français au Niger), over de geschiedenis van de Nigerese uraniummijnen en de uitbating daarvan door Frankrijk. Pogingen van de leiders van Niger, een van de armste landen ter wereld, om een eerlijker deel van de taart mee te pikken werden systematisch afgeblokt.
- VI.2 (Souffler sur les braises : la « guerre contre le terrorisme » de la France en Afrique). In de jaren 2010 heeft Frankrijk zijn eigen ‘war on terror’ uitgevochten in de Sahel: met minder extreme aantallen burgerslachtoffers dan de VS aanrichtte in Irak of Afghanistan, maar gedreven door dezelfde militaristische havikenlogica. Dit hoofdstuk schetst hoe die aanpak vooral koren op de molen is geweest van jihadisten. Door zich als een arrogante regionale politiemacht te gedragen en tegelijk niets te veranderen aan de sociale voedingsbodem van de rebellieën, heeft Frankrijk grote groepen mensen verder in de armen van jihadistische milities gedreven.
- VI.9 (L’obsession croissante des migrations), over de Europese antimigratiepolitiek, Frontex en de intensieve Franse samenwerking met Afrikaanse regimes om opposanten en andere vluchtelingen over de kling te jagen. Bovendien blijkt antimigratiebeleid in het moederland op illegitieme manieren verweven te zijn met de Franse oorlogen in de Sahel: militaire en ‘politionele’ functies worden in de praktijk vaak door elkaar uitgeoefend.
Het boek is net te vroeg geschreven om de reeks anti-Franse Sahelcoups echt mee te pikken. Gaan die junta’s reële verbeteringen brengen? We moeten er niet naïef over zijn, zeker niet op militair vlak. De Wagnergroep kan zich qua brutaliteit meten aan de Franse troepen en huurlingen die haar voorgingen en vormt zeker geen breuk met de puur militaristische aanpak van Frankrijk tegenover de rebellengroepen. Langs de andere kant is het wel belangrijk om te begrijpen waaróm een verderzetting van het pro-Franse status quo voor landen zoals Burkina Faso of Niger onacceptabel is geworden. Geen enkele op-ed in een westers tijdschrift die de teloorgang van pro-westerse ‘democratieën’ beweent, kan het feit verklaren dat de Afrikanen massaal de straat opkomen om regimes te steunen die de Fransen en Amerikanen buitenkegelen.
Dit boek is geen reflectie over alternatieven (zelfs Sankara wordt heel oppervlakkig besproken), maar een catalogus van de manieren waarop Frankrijk zichzelf ‘onuitstaanbaar’ heeft gemaakt door zes decennia postkoloniale inmenging. Alles aan de Saheljunta’s afschrijven is daarom even onvolledig als ze toejuichen. Waar je op democratisch vlak niets progressiefs van ze moet verwachten, zetten ze wel stappen om af te rekenen met de overmacht van westerse multinationals – hopelijk niet om ze te vervangen door Russische tegenhangers – en gehate mechanismes zoals de CFA-franc. De Nigerese junta heeft de controle over de Franse uraniummijnen overgenomen: een beslissing die vruchten zou kunnen afwerpen voor Amadou met de pet, afhankelijk welke stappen er nog gaan volgen.
Je kan de multipolaire wereldorde die stilaan ontstaat an sich al als iets positiefs zien, zelfs al is de ene concrete uiting van die multipolariteit smakelijker dan de andere. Hoe dan ook is de weg naar welvaart of echte autonomie lang en moeizaam. Franstalig Afrika is het waard dat we er de komende jaren onze blik op richten voor de al-dan-niet-aangename verrassingen die dat uitgestrekte gebied in petto heeft.