" Le roi, on le sait, a deux corps : un corps éternel, dynastique, que le texte intronise et sacre, et qu'on appelle arbitrairement Shakespeare, Joyce, Beckett, ou Bruno, Dante, Vico, Joyce, Beckett, mais qui est le même corps immortel vêtu de défroques provisoires ; et il a un autre corps mortel, fonctionnel, relatif, la défroque, qui va à la charogne, qui s'appelle et s'appelle seulement Dante et porte un petit bonnet sur un nez camus, seulement Joyce et alors il a des bagues et l'œil myope, ahuri, seulement Shakespeare et c'est un bon gros rentier à fraise élisabéthaine. "
Pierre Michon’s writing has received great acclaim in his native France; his work has been translated into a dozen languages. He was winner of the Prix France Culture in 1984 for his first book, Small Lives, the 1996 Prix de la Ville de Paris for his body of work, and the Grand Prix du Roman de l’Académie française. His works include Masters and Sons, The Origin of the World, and Rimbaud's Son.
Five essays/vignettes about well-known (Beckett, Faulkner, Hugo) and lesser-known writers, or perhaps more about Pierre Michon himself. About the high and the low in these writers (and the author of these essays). The style is associative and very whimsical, often in the vein of the author discussed. Michon regularly captivates with a witty expression, a poetic wording, or a clenched and at the same time endless sentence. But you also regularly wonder where this very idiosyncratic Frenchman is heading. In my opinion, the essays on Beckett and Faulkner definitely are the highlight of this little book.
Pierre Michon geldt als een 'writers writer': zijn romans en verhalen worden door een select clubje bewonderaars zeer bejubeld om hun duistere inhoud en veeleisende stijl, maar een groot publiek krijgt hij daarmee niet. Zelf ben ik een verklaarde Michon-fan, en vooral zijn fictieve biografieën van beroemde kunstenaar bewonder ik enorm. Ik vind het werkelijk prachtig hoe hij daarin de nietigheid van de schepping en het menselijk leven beschrijft en tegelijk de grandeur evoceert van literatuur en kunst die Het Absolute zoekt en dus het aardse gepruts probeert te ontstijgen. Ik vind het fascinerend hoe hij stem geeft aan de totale ontoereikendheid en zelfs belachelijkheid van dit streven, en aannemelijk maakt dat Het Absolute in deze belachelijk onvolkomen wereld helemaal niet kan bestaan, terwijl hij tegelijk OOK stem geeft aan Het Absolute en koppig weigert de zoektocht ernaar op te geven. En echt briljant vind ik hoe hij daarbij in woorden vat wat niet in woorden te vatten is. Hoe hij Het Absolute en sublieme verwoordt in taal die aan de ene kant zo enorm concreet is dat je erover denkt te kunnen lopen, en tegelijk zo verlokkend onbepaald en raadselachtig is als een haiku. En hoe hij daarbij inzichten verwoordt die zo enorm raak en kernachtig zijn dat ze mij helemaal overweldigen, terwijl ik tegelijk totaal niet in eigen woorden kan parafraseren wat er staat en dus eigenlijk niet begrijp wat het overweldigende inzicht precies is.
"Koningslichamen" nu is uit 2002, heeft ook prestigieuze Franse prijzen gewonnen, maar is pas kort geleden vertaald. Het is geen roman of verhalenbundel, maar een verzameling essays over Beckett, Flaubert, Faulkner, Ibn Mankli en een vers van Victor Hugo dat op gezette tijden dient als gebed, dat dan doordesemd is van verbijstering over het zo onkenbare universum. Maar door hun nogal barokke en speelse opzet en hun zeer eigenzinnige stijl zijn het eerder essayistische fantasieën dan conventionele essays. In de stukken over Beckett en Faulkner bijvoorbeeld wordt niet geprobeerd om de stijl en betekenis van deze door Michon bewonderde auteurs te analyseren: integendeel, Michon associeert op onnavolgbare wijze naar aanleiding van foto's van de auteurs, gebruikt daarbij stijlelementen en motieven uit hun werk en hercombineert deze op ondoorgrondelijk Michoneske wijze, en ineens heeft hij dan een niet te verwoorden kern in hun werk TOCH verwoord. En daarmee meteen weer extra niet rationeel te parafraseren inzicht geboden in zijn eigen fascinerend raadselachtige wereldbeeld. In die zin leest "Koningslichamen" niet heel veel anders dan bijvoorbeeld "Meesters en knechten" of "Rimbaud de zoon", boeken die gelabeld zijn als fictie, maar die eigenlijk een fascinerend duister mengsel zijn van fictie, ondoorgrondelijke fantasie en onconventionele essayistiek.
Nou vind ik "Meesters en knechten", "Rimbaud de zoon", "Roemloze levens" en veel van Michons andere werk wel wat sterker dan "Koningslichamen". Maar toch, ook van "Koningslichamen" stond ik vrij vaak paf. Het stuk over Flaubert bijvoorbeeld is mij weliswaar soms wat al te middelpuntvliedend, maar bevat soms toch heel meeslepende passages over hoe Flaubert zich als een soort bedelmonnik helemaal gaf aan de hogere kunst, en hoe dat aan de ene kant puur belachelijke maskerade was en aan de andere kant een serieuze en bewonderenswaardige roeping. Discutabel, maar ook meeslepend prachtig is hoe Michon "Madame Bovary" interpreteert als samenballing van het bestaan in al zijn tragische ambiguïteit: "Leroi- Gourhan schrijft dat in de holenkunst vrouwelijk teken en wond onderling verwisselbaar zijn; om hetzelfde idee uit te drukken kon de paleolithische kunstenaar, denker, schrijver evengoed een vulva als een doorstoken koe, het bloed dat van een pijl afdruipt, afbeelden. Vulva, steek, dier onder de slachthamer, bloed, zijn stuk voor stuk synoniem. Dat teken kunnen we Emma Bovary noemen. Het is de schaamspleet verergerd door tranen. Mulier dolorosa". Als interpretatie van Flauberts roman is deze passage duister en tamelijk eigenzinnig, maar de ambigue TOTAALERVARING die hier beschreven wordt is naar mijn smaak wel weer heel meeslepend. Hij is in ieder geval heel kenmerkend voor het uit ambiguïteit en verknoping van duistere tegendelen opgetrokken wereldbeeld van Michon zelf. En bepaald ook niet helemaal onverenigbaar met het ambigue, tragische, troebel erotische en soms groteske karakter van Flauberts beroemde roman.
Even eigenzinnig en meeslepend is wat Michon later doet met een passage uit een brief van Flaubert, waarin Flaubert zijn sereniteit en vreugde beschrijft als hij het eerste deel van "Madame Bovary" af heeft en de vogels hoort zingen. Michon becommentarieert: "Wat de vogels zingen, is dat het boek voorlopig af is, dat het boek is opgeschort. Het gratieverzoek is aanvaard, nee, het masker afleggen, daarvan kan geen sprake zijn, het zit te goed, maar je mag vergeten dat het bestaat en de wind van de vroege ochtend door je kleren voelen binnenkomen. Je bent niet van hout, je geniet van de bomen. De wereld aan de overkant van de Seine bestaat uit gouden stoppelland, blinkende korenmijten, verre beukenbossen waar het hart klopt. In de melkstallen van de boerderijen dopen kleine meisjes hun vinger in melk, romen hem af; onder de blik van een man lacht een meisje, ze weet dat straks de vervulling haar wacht, menselijke monsters vergeten dat ze monsters zijn. De wereld kan zonder proza". Uiterst concreet, deze passage, vooral in de natuurbeschrijving, en tegelijk raadselachtig suggestief van betekenis. Hij had wat hij hier zegt ook directer en simpeler kunnen zeggen: dat Flaubert, na deel 1 van "Madame Bovary" voltooid te hebben, zich voor even bevrijd voelde van zijn rol als Grote Schrijver en van de beperkingen van zijn taal en zijn metier. Of, wellicht, dat hij door deel 1 van dit beroemde boek voor even dacht Het Absolute te hebben bereikt en zijn aardse beperkingen te hebben overwonnen. Maar Michon kiest bewust voor een natuurbeeld dat, hoe concreet ook, toch vooral raadselachtig en onbepaald is. Want Het Absolute dat in taal gevat is heeft zijn absolute karakter verloren. Alleen in raadselen kan het absolute en sublieme wonen. Dus roept Michon bewust die raadselen op. En dat doet hij prachtig, vind ik.
Intrigerend kortom hoe Michon in deze prozastukken nieuw en raadselachtig licht werpt op diverse boeiende en grote auteurs, en hoe hij daarmee meteen ook eigenzinnige en fascinerende perspectieven opent op de raadsels van literatuur en kunst. Het mooist doet hij dat wellicht in zijn essayistische fantasieën over Beckett en Faulkner. Het stuk over Beckett, naar aanleiding van een opvallend ijdele foto van deze bespotter van alle ijdelheden in het bestaan, is Beckettiaans geniaal van beknoptheid en zit vol met Beckettiaanse groteske spot. En het stuk over Faulkner zit vol typisch Faulkneriaanse ellenlange zinnen, waarin paradoxale verknopingen van tegendelen hoogtij vieren, waarin "alle kwalificerende termen zonder onderscheid rondtollen, een ogenblik blijven haken, verschuiven, zich wijzigen in hun tegendeel en daarbij onveranderd blijven, op grond van niets iets maken en het dan weer afbreken, het opnieuw maken, ad nauseam de ongelofelijke vergissing van de Schepping herhalen". In Faulkneriaanse stijl beschrijft Michon hoe Faulkner naar het sublieme tast. Wat voor Michon trouwens een eitje is, want zijn stijl is wel vaker Faulkneriaans. En door die stijl doet hij voluit recht aan het fascinerende raadsel van Faulkners werk. Wat hij ook doet door Faulkners stijl als volgt samen te vatten in een korte zin: "Hij heeft een proza in bulldozervorm uitgevonden waarin God zich onafgebroken herhaalt". Waarin weer het vorige citaat doorklinkt, over hoe door Faulkner geportretteerde personages "ad nauseam de ongelofelijke vergissing van de schepping herhalen". En mede daardoor raakt Michon voor mijn gevoel Faulkner recht in zijn duistere kern.
Ja, mooie schrijver die Michon. Nagenoeg zijn hele werk is nu in het Nederlands vertaald. Het zal velen van jullie niet liggen, vrees ik. Maar zelf ben ik blij dat ik het ken, en misschien lees ik te zijner tijd alles van hem weer eens opnieuw.
Kıraathane'nin ilk kitabıydı Kralın Bedenleri, epeydir sırasını bekliyordu kitaplığımda, sonunda okudum. İçinde daha okumadan çok sevdiğim, Kıraathane'nin çantalara ve defterlere de bastığı iki cümle barındırıyor olsa da, kitap beklentimin altında kaldı maalesef.
Cümleler şunlar: "Edebiyatı ciddiye alışımız insanın yüreğini burkuyor" ve "Madam Bovary tüm kadınlardır." Bu iki cümlenin basılı olduğu çantalarım ve defterlerim hala gözümün bebeği, o ayrı.
Fransız yazar Pierre Michon'un Beckett, Flaubert, Faulkner, ve Hugo gibi hayatında yer etmiş yazarlara dair kısa denemelerini içeriyor kitap; Homeros, Dante, Joyce, Sartre, Gombrowicz, Pessoa gibi isimlere de uzanıyor. Nesnel denemeler veya teknik analizlerden çok, epeyce kişisel metinler bunlar; yer yer de çok iyi yazılmış metinler. Kimi zaman yazarların bir fotoğraftaki duruşundan, bakışından, elinde tuttuğu sigaradan yola çıkarak yazıyor, kimi zaman onların metinlerinin kendi hayatıyla kesiştiği yerleri aktarıyor.
Kimi bölümleri epey ilginç olmakla beraber, yazarın neyi neden anlattığının havada kaldığı çokça bölüm var kanımca. Kullandığı poetik dil okurken insana haz verse de, bazı kısımlarda "yani?" sorusunu sormama mâni olamadı. Bir de son birkaç sayfada anlattığı, genç bir barmen kızı taciz edip dayak yemesiyle sonlanan tuhaf hikayeye gerek var mıydı hiç emin değilim...
Neyse. Şu alıntıyla bitireyim hadi: "Yapıtın yetkinliğini gösterebilecek tek bir kanıt, maskeyi kesin olarak un ufak etmenin tek bir yolu, yazının her şeye yeten gücünün doğaüstü tek bir onayı olabilir: O da zevkten ölmektir. Kusursuz sanatçı şarkısının güzelliğinden ölür. Kusursuz bir bicimde hakli kılınan ve onaylanan bu kusursuz sanatçıya Madame Bovary'de, çileden çıkmış, birbirlerinin bedenleri için deliye dönmüş Emma'yla Léon'un bir kılavuz eşliğinde Rouen Katedrali'ni gezmeye sürüklendiği, derken kavasın sözlerine takılıp kaldığı gülünç sahnede rastlanır: 'İşte, dedi gösterişli bir havayla, büyük Ambroise çanının çemberi. Tam kırk bin libre ağırlığındaydı. Bütün Avrupa'da eşi benzeri yoktu. O çanı döken işçi sevinçten ölmüştür...'
Gökyüzünden düşüp yaratıcısının kafasına inen bu yirmi tonluk çan öldüren metindir."
Vertaler Rokus Hofstede over Pierre Michon en Koningslichamen
- Laurent De Maertelaer
Sinds 1996 is Rokus Hofstede de vaste vertaler van cultschrijver Pierre Michon, een onklasseerbare auteur die sinds zijn debuut uit 1984, Vies minuscules (Roemloze levens in het Nederlands), een volstrekt unieke plaats inneemt in de Franse literatuur. Hoe klein in omvang het ook mag zijn, op de uitzonderlijke kwaliteit van Michons oeuvre valt niets af te dingen. We ontmoeten Hofstede (Hengelo, 1959) in zijn sfeervolle Gentse woning, waar de weergoden ons zo gunstig gezind zijn dat we ons gesprek gewoon onder de parasol in de kleine maar fijne stadstuin kunnen voeren. Na het sublieme De Elf uit 2011, een soort vrije oefening over de Franse Revolutie, verschijnt er nu een achtste Michon-vertaling bij uitgeverij Van Oorschot. Ook in Koningslichamen, vermengt Michon op fabelachtige wijze feit en fictie. Het is een prikkelende bundeling van vijf verhalende essays waarin schrijvers en het kunstenaarschap centraal staan: korte impressies over Beckett, Faulkner en Flaubert, over een lang gedicht van Victor Hugo, over bidden en een Arabisch jachttraktaat. Essayistiek voor fijnproevers.
Corps du roi verscheen al in 2002. Waarom verschijnt uw vertaling nu pas?
Ik probeer dat boek al meer dan 12 jaar uitgegeven te krijgen! Corps du roi won bij verschijning de felbegeerde ‘Prix Décembre’, die intussen een soort Goncourtprijs voor kwaliteitsliteratuur is geworden, en het leek me meteen een sleutelwerk binnen Michons oeuvre. Maar het probleem was dat de verkoopsresultaten van de titels die Van Oorschot in Nederlandse vertaling tot dan toe al had uitgebracht op zijn zachtst gezegd te wensen overlieten. Van die titels bij Van Oorschot hebben er tot op vandaag maar twee een herdruk gekend, Roemloze levens en De Elf. Die herdrukken zijn trouwens in overwegende mate te danken aan de Vlaamse lezer. Het is mijn indruk dat Michon in Vlaanderen minder als een 'mooischrijver' wordt weggezet dan in Nederland. Misschien heeft het te maken met een Vlaamse voorliefde voor bloemrijke taal of met het obscure katholieke verleden waarnaar Michon geregeld verwijst? Hoe dan ook, ik ving bot en zag me verplicht mijn vertaalplannen tijdelijk op te bergen, of ten minste te beperken tot voorpublicaties in tijdschriften. Tot Van Oorschot opeens kwam opdraven met het ietwat gekke plan om een verzameleditie van alle reeds verschenen vertalingen te realiseren. Aan zo’n omnibus wilde ik graag mijn medewerking verlenen, maar op voorwaarde dat er één nog niet vertaalde tekst bij kwam, zodat de verzameling ook aantrekkelijk kon zijn voor de mensen die de eerdere vertalingen reeds hadden en Michon dus al kenden. Daar was Koningslichamen natuurlijk de uitgelezen keuze voor (lacht). Uiteindelijk verschijnt het nu toch als een apart deel. Ik ben daar ongelooflijk opgetogen over. Wat ik steeds tegen Van Oorschot heb gezegd is: “Michon is een wereldschrijver, hij is hors catégorie”. Zo wordt er althans in Frankrijk over hem gedacht, en steeds meer tot ver daarbuiten.
Op de site van Michons Franse uitgever – Verdier - prijkt een persknipsel waarin staat dat hij met Corps du roi alweer een boek voor de happy few heeft geschreven.
Dat klopt zeker, maar het prestige dat Michon in een kleine kring liefhebbers geniet, is langzaam aan het doorsijpelen. Waarschijnlijk omdat dat prestige wordt bevorderd en bevestigd door academici. Vanaf het einde van de jaren 1990 zijn er artikelen beginnen verschijnen. Er is inmiddels een indrukwekkende bibliotheek van commentaren op zijn werk. Neem nu Les Onze, zijn laatste boek uit 2011. Daarvan zijn er 60.000 exemplaren verkocht. Dat is beter dan alle eerdere titels, zij het nog steeds geen bestseller. Maar wat meespeelde bij Les Onze was dat Michon toen op televisie kwam en dat er ook in de gewone dagbladpers over hem werd geschreven. Zijn naam werd op die manier in wijdere cirkels verbreid dan voordien. Toegegeven, hij blijft een auteur die vooral erkenning vindt in kleinere kring, maar dat heeft hij grotendeels aan zichzelf te wijten. Hij schrijft weinig, doet weinig moeite om de drempel laag te houden en een groot publiek te verleiden. Hij maakte ooit een interviewbundel, Le roi qui vient quand il veut, en daarin legt hij uit dat hij als beginnend schrijver had gehoopt met Vies minuscules een grote slag te slaan. Zijn fantasie was toen dat hij de Goncourtprijs zou winnen, dé publieksprijs van de Franse letteren. Hij bleek echter minder interessant voor die bestsellersmarkt dan bijvoorbeeld iemand als Jean Rouaud, een tijdgenoot die een minder grimmig en bloemrijk proza schrijft, maar in 1990 met Les Champs d’honneur wél de Goncourtprijs had gewonnen.
Michon debuteerde op 37-jarige leeftijd.
Net als Rouaud, trouwens. Over zijn eerste publicatie zei Michon dat het een kritieke grens in zijn leven was: óf hij was in de goot beland, rijp voor ‘clochardisation’, zoals de Fransen zo mooi zeggen, óf hij maakte een doorstart als beroepsschrijver. De tijd ervoor was hij verwoed bezig geweest, had hij zich wel twintig jaar lang volgezogen met literaire teksten en ambitie. Roemloze levens is voor een deel het relaas van die lange aanloopfase.
Michons onvoorwaardelijke liefde voor literatuur komt mooi naar voren in Koningslichamen: het zijn gebalde odes aan bewonderde auteurs…
Michon doet iets wat in de literatuurkritiek lange tijd niet zo ‘bon ton’ is geweest, namelijk leven en werk in elkaars verlengde zien. Hij is nou net iemand die niet typisch alleen maar naar de tekst kijkt. Hij interpreteert erop los, speelt met de biografie van de schrijver. Het laatste stuk over Hugo, ‘De hemel is een zeer groot man’, is bovendien sterk autobiografisch gekleurd; het is duidelijk het ‘pièce de résistance’. De andere teksten vind ik wisselend van kwaliteit. De Flaubert-tekst vind ik de minste, een beetje middelpuntvliedend. Het zijn bijeen gesprokkelde ideeën, wil geen essay worden. Maar de teksten over Faulkner, over de Egyptische klerk Mohammed Ibn Mankli en het heel korte stuk over Beckett, vind ik dan weer ronduit briljant. Wat je daarin ziet is dat Michon zich interesseert voor schrijvers als personen, maar hij ziet ze niet als halfgoden, als mensen die met speciale gaven en visionaire krachten zijn begiftigd. Neen, Michon schrijft over schrijvers door ze te bewonderen maar tegelijk te bespotten. Hij heeft oog voor de groezelige, smoezelige en zelfgenoegzame kantjes van zijn gekozen onderwerpen. Bijvoorbeeld het alcoholisme van Faulkner, of de ijdelheid van Beckett. Zulke kleine kantjes voelt Michon heel goed aan en die bevreemdende mengeling van hoogmoed en grimmigheid, narcisme en zelfspot komt terug in zijn werk. En dat is het verschil denk ik met bijvoorbeeld iemand als Rouaud. Michon probeert de lezer niet te verleiden door zijn diepmenselijkheid. Hij is eerder een beetje pathetisch, een marginaal geval. Dat hij zelf dat licht onaangepaste heeft, maakt dat hij het heel goed herkent in andere schrijvers.
Ondanks zijn minimale stijl lijkt me het Frans dat Michon hanteert allesbehalve makkelijk om te vertalen.
Er is een duidelijke evolutie in het werk. In Roemloze levens hanteert hij bloemrijke zinnen, met veel adjectieven en aanzwellend pathos. Dat is duidelijk het eerste werk, het ‘opera prima’. Daar lezen we de schrijver die terloops wil laten zien hoe virtuoos hij wel niet kan schrijven. In latere teksten, bijvoorbeeld Mythologies d’hiver of Abbés, wordt zijn stijl veel minimalistischer. Michons palet gaat heel breed. Ik voel wanneer ik Michon vertaal hoe dan ook iets als een ‘heilig moeten’. De teksten van Michon excelleren door hun zeggingskracht, hun evocatieve vermogen. De vertaling moet ook dat surplus hebben. Ik ben inmiddels helemaal vergroeid met zijn werk. Hij is de enige Franse schrijver die ik echt als ‘mijn’ auteur beschouw. Het is bijzonder dat hij nog steeds leeft en scherp van geest is. Hij is van 1946, maar heeft niet erg oppassend geleefd. Mijn hoop is eigenlijk dat hij zijn laatste woord nog niet heeft geschreven, dat die geweldige paukenslag van Vies minuscules, met in de nasleep allerlei echo’s ervan, nog één keer door een formidabel hoogtepunt wordt gevolgd. Er zijn al een tijdje geruchten dat hij twee projecten in de steigers zou hebben staan. Een ervan zou gaan over Napoleon. Een geheid onderwerp voor hem gezien zijn voorliefde voor historische figuren, van wie hij dan het levensverhaal naar zich toe kan trekken.
Het motto van Koningslichamen is een citaat van Joseph Joubert: ‘Alle bewijsvoering is maar figuur’. Hiermee lijkt Michon wat nog moet volgen meteen ook te ondermijnen, het is maar schone schijn. Typische ondeugendheid?
‘Tout raisonnement n’est que figure’ klinkt het origineel. De Van Oorschot-redacteur zette vraagtekens bij het woord ‘figuur’, maar ik hechtte nogal aan dat woord omdat ik moest denken aan ‘retorische figuur’ of ‘dansfiguur’, kortom aan iets ornamenteels. De redacteur stelde voor: ‘Alle betoog is louter vorm’. Maar daarmee krijg je de ongewenste associatie met ‘vorm en inhoud’, alsof het in een betoog niet over inhoud kan gaan. Wat Michon ermee wil zeggen, denk ik, is dat alles wat je kunt beweren over een auteur een denkbeweging is. Die beweging kan op esthetische gronden worden beoordeeld en hoeft niet per se een waarheidsclaim te bevatten. Het is een manier om zijn essayistiek als een persoonlijke jacht op schoonheid te beschrijven. Uiteindelijk heb ik het woord ‘betoog’ laten vallen, en ‘figuur’ behouden. Bij betoog denk je toch eerder aan een opeenvolging van denkstappen, aan een discours. Ik heb er dus ‘bewijsvoering’ van gemaakt. Later kan je dan weer spijt krijgen van iets dat je hebt veranderd, maar voor nu vind ik het de beste keuze (lacht).
Is vertalen voor u verliezen? Of zoals de Italianen paronymisch zeggen: ‘traduttore, traditore’, de vertaler als verrader?
Ik heb het geluk gehad dat Michon, al bij mijn eerste vertaalpogingen van zijn werk, met mij correspondeerde over begripskwesties. Hij moedigde me aan om te vertrouwen op mijn eigen taal- en muzikaal gevoel. Hij schreef me dat hij zelf soms ook niet helemaal wist wat iets betekende, maar het wel behield omdat het zo suggestief klonk. Diezelfde rijkdom aan associaties moest ik proberen in mijn vertalingen te leggen. Ik ben helemaal niet van de ach-en-wee-school van vertalers die zeggen dat ze zoveel verlies lijden in hun pogingen om een auteur recht te doen. Neen, ik ben eerder van de school van de blaaskaken die zeggen dat er net veel winst in vertalingen te rapen valt. Een mooi voorbeeld van vertaalwinst is dat Michon in Frankrijk wordt gezien als een schrijver uit het achterland, uit de provincie. Zijn geboortegrond, de Creuse, dat is echt ‘la France profonde’ en dat wordt nog steeds met een soort ‘dédain’ uitgesproken. Wij kennen die categorisering veel minder. We zien hem niet in eerste instantie als een provinciaal of een proleet; neen, wij zien eerder het sprookjesachtige van die Franse boerenwereld die ons onbekend is. Dat vind ik een vorm van winst. De tekst verandert wanneer je die in een ander taalgebied ‘importeert’ omdat de mensen met andere categorieën kijken. Vertaalwinst kan ook bestaan uit wat de Fransen een bonheur de langage noemen, een suggestieve oplossing die je als het ware door de taal zelf wordt aangereikt. Over Rimbaud bijvoorbeeld schrijft Michon ergens dat hij ‘de roede’ van de alexandrijn aan stukken sloeg en daarop dichtsloeg – ‘Il cassa la tringle et s’y cassa aussi le bec, en deux temps trois mouvements’. Dat laatste moest natuurlijk worden: ‘In een vloek en een zucht’… Ik heb me zozeer met Michon geïdentificeerd dat ik het waarschijnlijk moeilijk zou verdragen een andere vertaling dan de mijne te lezen. Ik vind dat vertalers zich te nederig opstellen, te weinig de verantwoordelijkheid opeisen en zeggen: dit is míjn visie. Er is niets zaligmakends aan mijn vertalingen en er zijn zeker andere mogelijk, maar ik claim wel dat ik er alles aan heb gedaan om Michon springlevend te houden in het Nederlands.
Deze in prachtige zinnen gegoten reflecties over het schrijverschap verdienen alle bewondering. Michon heeft het eigenlijk vaak over zichzelf wanneer hij giganten als Beckett, Flaubert, Faulkner of Hugo fileert. Een kleinood om te herlezen om de zoveel tijd, want verschillende referenties ontgingen me. Wat trouwens geen bezwaar was bij deze eerste lezing.
Vijf elitaire essays van heel kort (5 blz) tot gewoon van lengte (30 blz) over schrijven en schrijverschap; over Beckett, Flaubert en Faulkner, klassieke grootheden uit de westerse literatuur, waarbij het helpt hun werk en biografie grondig te kennen om alle referenties te begrijpen (ik heb er vast talloze gemist). Ook een essay over ene Ibn Mankli, een Mammeluk van de sultan van Cairo uit de 14e eeuw, waarvan Michon vindt dat hij een geweldige zin over de jacht met de giervalk heeft geschreven. Tot slot een essay waarbij een gedicht van Victor Hugo ("Booz endormi") centraal staat, maar dat eigenlijk gaat over Michon zelf.
Centrale idee dat de 5 stukken verbindt is het "dubbellichaam" waaruit schrijvers bestaan: enerzijds het goddelijke wezen dat zijn superieure literaire weldaden aan de wereld schenkt, anderzijds de mens van vlees en bloed, niet altijd even fraai om te aanschouwen. Het getuigt van enig relativeringsvermogen dat Michon zichzelf beschrijft als een stomdronken, serveerster bepotelende artist-bohémien: hij steekt de liegende Faulkner, de ontuchtige Flaubert of de ijdele Beckett naar de kroon.
De virtuoze literaire free jazz van Michon vol referenties kan moeilijk liggen voor liefhebbers van heldere harmonie en duidelijke structuur. Misschien ook niet het beste boek om kennis te maken met deze schrijver. Voor een select clubje lezers.
Beckett ile açılıyor oyun. Kısacık bir anlatı boyunca "kralın iki bedeni birden beliriveriyor". Ve sahne coşkuyla bitiyor. Perde kapanıyor. Sonrasında Flaubert çıkıyor bu defa sahneye. İbn-i Mengü, Faulkner ve Hugo da peşi sıra. Perde yırtılıyor.
Yazarların suretlerine ve yazınlarına dair kısa kısa metinler bunlar. Kısa olmasına kısa evet ama eksiltili ve örtük anlatımları ile hızlıca ve bir çırpıda okunabilecek cinsten de değil. Ama bir yandan da ilginç ve akıcı.
Bu kitap @kiraathanekitap tarafından yayımlanan ilk kitap olması ile de ayrı bir yere sahip hiç kuşkusuz; ama bir okur olarak bende de ayrı bir yere yerleşmiş durumda.
Birkaç alıntı ile Michon'a şimdilik kısa bir veda...
"Edebiyatı ciddiye alışımız insanın yüreğini burkuyor". (s. 21)
Ölümlü ve ebedi bedenleri ile yazarları konuk etmeye hazırsanız buyrunuz. Orçun Türkay'ın akıcı çevirisiyle.
Un saggio che fa letteratura partendo dalla letteratura, e parlando di letteratura. Nei suoi cinque capitoli (dedicati a scrittori da uno scrittore) Michon dà corpo a cinque autori, ingombranti padri letterari: Samuel Beckett, Gustave Flaubert, Muhamad Ibn Manglî (scrittore arabo del XIV secolo), William Faulkner e Victor Hugo (in particolare con il poema "Booz endormi"). Michon coglie, trita, divora, reimpasta i corpi degli autori che cita come il girfalco, oggetto del trattato di caccia di Ibn Manglî, fa con le sue prede, e così facendo "produce" letteratura, consacrando la continua riattualizzazione degli autori passati nell'autore presente. Michon sale così sul trono del re, del Grande Autore, guadagnandosi i suoi «deux corps du roi, l'apparition simultanée du corps de l'Auteur et de son incarnation ponctuelle, le Verb vivant et le saccus merdae (14)».
Per approfondire: Yona Hanhart-Marmor, "Le sifflet de Makoko. Pierre Michon et la littérature seconde", in "Littérature" 195 (septembre 2019), pp. 33-51 (https://www.academia.edu/38059915/Le_...).
Ecriture toujours aussi miraculeuse. Le texte sur Flaubert et, surtout, le texte final "Le ciel est un grand homme" méritent lecture, relecture, rerelecture. Et puis, cette musique...