Bij gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag wordt L.H. Wiener eer bewezen met de uitgave van alle verhalen in één band, superieure verhalen, waaronder een aantal dat in eerdere verzamelingen ontbrak en een aantal nieuwe. De lezer haalt met De verhalen een oeuvre in huis waaraan vijftig jaar lang is gebouwd en dat in de Nederlandse letteren zijn weerga niet kent.L.H. Wiener schreef zijn eerste verhaal in 1964 op negentienjarige leeftijd en debuteerde drie jaar daarna met de bundel Seizoenarbeid, in korte tijd gevolgd door een roman en nog twee verhalenbundels. In de jaren daarop verscheen zijn werk in Tirade, De Gids, Hollands Maandblad en later in De Tweede Ronde, verhalen die alle in boekvorm werden gebundeld. Ironie, zelfspot, cynisme en autobiografie, gemodelleerd rond de alter ego’s van de schrijver Ezra Berger en Viktor van Gigch, kenmerken zijn werk. Zijn tweede roman, Nestor (2002), werd bekroond met de F. Bordewijk-prijs. De verering van Quirina T. (2006) werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs.Hoewel L.H. Wiener gelauwerd is met zijn romans, wordt hij ook beschouwd als de grootmeester van het korte verhaal. Zijn in een halve eeuw opgebouwde oeuvre is volstrekt heterogeen, maar consequent in zijn thematiek.
Lodewijk Willem Henri Wiener (Amsterdam, 16 februari 1945), aanvankelijk schrijvend onder de naam Lodewijk-Henri Wiener maar sinds 1980 publicerend als L.H. Wiener, is een Nederlands prozaschrijver. Daarnaast was Wiener lange tijd leraar Engels aan het Stedelijk Gymnasium in Haarlem. (Wikipedia, 5.07.14)
(bewerking van recensie zoals eerder verschenen in STAALKAART #29)
Lodewijk Willem Henri Wiener werd in 2015 precies 70 en vierde toen bovendien 50 jaar schrijverschap. Uitgeverij Atlas Contact bracht hulde aan de ongekroonde koning van het understatement met de uitgave in één kloeke band van álle verhalen, gemakshalve 'De verhalen' getiteld, waaronder een aantal dat in eerdere verzamelingen ontbrak alsook enkele spiksplinternieuwe. 70 jaar mensch, 50 jaar schrijver: deze gulden pil is één groot feest.
Meer dan twintig jaar terug concludeerde Jeroen Brouwers in een toespraak bij de boekvoorstelling van Wieners verhalenbundel 'Ochtendwandeling' dat er "in de huidige Nederlandse letteren geen schrijver zo verwaarloosd is als Lodewijk Henri Wiener". Zijn werk was toen enkel bekend bij "insiders en fijnproevers", een categorie waar Brouwers zichzelf toe rekende en nog steeds rekent. Sinds begin deze eeuw is in die miskenning enigszins verandering gekomen, maar ooit was het zelf nog erger dan Brouwers zijn toehoorders wilde doen geloven. Wiener debuteerde in 1967 met de verhalenbundel 'Seizoenarbeid', toen nog als ‘Lodewijk-Henri Wiener’, de auteursnaam die hij zou aanhouden tot in 1980, waarna het kortweg ‘L.H. Wiener’ werd. Het oudste verhaal uit die bundeling, ‘Uit het dagboek van een kleine jongen’, dateert van 1964 en verscheen voor het eerst in De Gids. Wiener was toen 19 jaar. 'Seizoenarbeid' bezorgde Wiener enige naambekendheid maar enkel omdat het in het jaar van zijn publicatie werd verboden door de rechter: de uitbater van een strandpaviljoen in Zandvoort meende zich in het verhaal ‘Jansen’ op een beledigende wijze geportretteerd te zien en stapte naar justitie. In hetzelfde jaar als 'Seizoenarbeid' verscheen Wieners debuutroman 'Zwarte vrijdag', kort nadien gevolgd door 2 verhalenbundels ('Duivels jagen' in 1968 en 'Man met ervaring' in 1973). Al deze publicaties werden nauwelijks of niet opgepikt door de literaire kritiek. Maar Wiener bleef (gelukkig) schrijven en publiceerde te hooi en te gras in gerespecteerde tijdschriften als Tirade en De Tweede Ronde. Die verhalen werden alle in boekvorm gebundeld, maar tot een doorbraak kwam het nimmer. Het keerpunt komt er met zijn tweede roman, 'Nestor' (2002), die de prestigieuze Bordewijk-prijs wint. Het is de perfecte aanleiding om zijn verzamelde verhalen in twee delen te laten verschijnen en deze keer is de pers er als de kippen bij om Wiener (eindelijk) de lof te zingen en te bewieroken. Zijn derde roman 'De verering van Quirina T.' (2006) werd genomineerd voor de Gouden Uil en de Libris Literatuurprijs.
DE VERHALEN
L.H. Wiener schreef in een halve eeuw een ontzaglijke hoeveelheid verhalen, verspreid over elf bundels. Tussen de verhalen door verschenen enkele romans en kleinere bibliofiele uitgaves, maar het is met het korte verhaal dat Wiener zich een schare bewonderaars bijeen schrijft. Dat nu alle verhalen (inclusief de schitterende novelle 'De lange adem') in één grandioze, indrukwekkende bundeling van 1.135 pagina’s zijn opgenomen is dus op zijn minst geweldig te noemen.
Wieners verhalen verrassen door hun ongelijksoortigheid, maar zijn tegelijk rechtlijnig en consequent in hun thematiek. Een aantal motieven zijn onlosmakelijk tot het Wiener-universum gaan behoren. Nagenoeg alle verhalen hebben een autobiografische toets, een ik-verteller waarin we vrij makkelijk de auteur zelf kunnen herkennen: zijn hoofdpersonages heten gewoon ‘Wiener’, wonen in Zandvoort, zijn opgebouwd rond een van zijn alter ego’s (‘Ezra Berger’ en ‘Viktor van Gigch’ zijn de meest voorkomende) of staan in het onderwijs (Wiener was tot in 2007 leraar Engels aan het gymnasium in Haarlem). Soms duiken ook plots andere historische figuren op in een voor de rest fictieve wereld (Geert van Oorschot, om er een te noemen). Deze combinatie van sterk autobiografische elementen met puur fictieve geeft een uitzonderlijk realisme aan de verhalen, zij het een ietwat desoriënterend realisme dat Wiener nog verder ontregelt door een aangehouden kale en ironiserende stijl. In het verhaal ‘Mijne heren’ staat een mooi staaltje van Wieners kenmerkende zelfspot (het moet gezegd, deze verhalen zijn hoe droevig ook, vaak heel erg grappig: Brouwers sprak over Wieners "hoekige geestigheid"): "Ik kan wel schrijven, maar ik maak nooit eens iets mee dat waard is om opgeschreven te worden. Het komt me voor dat ik voortdurend op het verkeerde paard wed." En nog verder in hetzelfde verhaal klinkt het: "Als een schrijver zijn wereld niet interessant genoeg vindt om erover te schrijven, dan moet hij er eenvoudig niet aan beginnen en dan moet hij niet met allerlei onzinnige kunstgrepen trachten een wereld op te roepen die onder normale omstandigheden niet zijn werkelijkheid is maar een surrogaatwerkelijkheid."
Wiener sluit geen compromissen bij het beschrijven van ‘zijn’ werkelijkheid. Voor hem zijn er hoe dan ook meerdere werkelijkheden, de ene al fictiever dan de andere. Hij legt zijn ziel bloot, met én zonder kunstgrepen, maar verliest nooit het geliefde spel tussen fictie en werkelijkheid uit het oog. Sombere, steeds weerkerende motieven als de dood, de ouderdom, drankzucht, de joodse problematiek, achterdocht, sociaal isolement en wreedheid kenmerken zijn verhalen. We zijn als lezer geneigd de verteller gelijk te schakelen met de auteur, terwijl die ons eigenlijk in het ootje neemt en ons een lange neus maakt. De werkelijkheid van Wiener is een duister universum waar als een boze grondtoon steeds een grimlach weerklinkt, een lach die het resultaat is van een zaligmakend spelen.
Wie durft nu nog, met deze indrukwekkende kroon op een schrijversleven, beweren dat L.H. Wiener een miskend auteur is, behalve hijzelf dan?
Wat een kanjer van een boek, zowel kwantitatief als kwalitatief. Als iemand mij een tijd geleden zou gezegd hebben dat ik een verhalenbundel van zoveel bladzijden zou uitlezen; ik zou het niet geloofd hebben. Ik heb het nu toch gedaan en heb me geen moment verveeld. Wat raar is want de inhoud van de verhalen van Wiener ligt inhoudelijk niet allemaal in mijn interessesfeer. Hij schrijft over prostitutie, gokken, sexuele verhoudingen met veel jongere meisjes... Maar daarnaast is er de andere wiener die nog op latere leeftijd vader wordt en schrijnend veel van zijn zoontje houdt, de wiener die om dieren geeft.... Toch zijn het geen prettige verhalen: vrouwen verlaten hem, de dietenverhalen kennen vaak een slechte afloop. De verhalen zijn vaak ruw, werelds en to-the-point. Opgewekt wordt je er niet altijd van. En toch blijf je aan je bladzijden gekluisterd en fascineert het, wil je maar doorlezen. Is het de taal die het hem doet? Wat mij in het begin opviel is dat wiener vaak zijn vertelstijl aanpast aan de inhoud bv. Een verhaal waarin een verkrachting wordt beschreven klinkt heel staccato, terwijl een ander, veel lieflijker verhaal dat zich 's nacht afspeelt een traag ritme heeft dat de rust van de nacht uitstraalt. Je wordt in zijn verhalen meegezogen, of je nu wil of niet. Voor mij zeker een topper.